© Jessica Jager mei 1997 & Jos Stadhouder augustus 1997
***********************************************
scriptiebegeleiders: Ad Slob & Leni van Remmerden
extra toevoegingen: Jos Stadhouder
Cactus
Weet jij waar ik vandaan kom?
Ik denk uit de woestijn!
Daar komt het door
dat er voor mijn gevoel
geen wortel aan mij zijn.
Weet jij waar ik vandaan kom?
Ik denk uit de woestijn!
Daar komt het door
dat het in mij
zo kaal en dor kan zijn.
Een cactus ben ik in los zand.
Een plant die zonder water leeft.
Met stekels houd ik mij in stand.
Ik snap niet dat jij om mij geeft.
Dit gedicht is geschreven door een 12-jarig kind.
Bron: Mobiel, tijdschrift voor pleegzorg.
DE HULPVERLENING
Inleiding
Mijn scriptie gaat over de Seksueel Misbruikte Jongens & Mannen die al dan niet binnenkomen bij de [jeugd]hulpverlening. Om deze reden is het belangrijk om de jeugdhulpverlening ook aan bod te laten komen in de scriptie. Omdat de [jeugd]hulpverlening ontstaan is vanuit de reguliere hulpverlening, is er eerst de geschiedenis van de hulpverlening, waarna vervolgens een aantal hulpverleningsinstellingen zal worden genoemd om een indruk te geven welke hulpverleningsinstellingen er zijn. Daarna wordt er beschreven hoe de jeugdhulpverlening is
opgeplitst van de reguliere hulpverlening en dan worden er enkele jeugdhulpverleningsinstellingen genoemd die er speciaal zijn voor jongeren.
Geschiedenis hulpverlening[instellingen].
MIDDELEEUWEN TOT 1900
Armenzorg is de oudste vorm van hulpverlening. De eerste aanzet tot de ontwikkeling van wat we nu maatschappelijk werk noemen, vond reeds plaats ver voor 1900. De hulp die in de 19e eeuw verleend werd aan de armen en de maatschappelijk zwakken, werd geboden vanuit persoonlijke initiatieven van pioniers op het gebied van armenzorg en maatschappelijke dienstverlening. Door de industriële revolutie veranderde de werksituatie; het werk werd specialistischer en onpersoonlijker en de concurrentie nam toe. Ook buiten de werksituatie gingen mensen onpersoonlijker met
elkaar om door de toenemende verstedelijking en de groeiende mobiliteit van de bevolking. De onderlinge sociale controle verminderde. De na-oorlogse industrialisatie bracht veel problemen met zich mee. De liefdadigheid aan de kansarmen van de samenleving kwam in deze tijd van de kerken. Dit om de ellende van de industriële revolutie te verzachten.
20e EEUW 1900 - 1940
Het beeld van het helpen in Nederland werd in de eerste helft van de 20e eeuw voor een belangrijk deel beheerst door particulier initiatief. Voorbeelden hiervan zijn: plaatselijke verenigingen, stichtingen, en dergelijke. Deze ontstonden op grond van de Armenwet. Totaal werden in deze periode 7466 instellingen en organisaties geteld. In het begin van de jaren 30 werd een poging gedaan een meer moderne benaderingswijze van de armenzorg in Nederland te ontwikkelen. In de jaren 30 was het streven naar professionalisering van de hulpverlening op gang gekomen door
toenemende kennis en ervaringen; er werd over maatschappelijk werk als beroep gesproken. Daar werd onder verstaan dat het maatschappelijk werk een volledige dagtaak is. Tevens zag men in dat er een opleiding voor nodig was om dit werk uit te kunnen voeren. In 1921 werd de eerste school voor maatschappelijk werkers opgericht.
1940 – 1975: VAN LIEFDADIGHEID NAAR BEROEP
Er was een duidelijke ontwikkeling te zien naar professionalisering. Er werden studiedagen en praktijk-trainingsdagen georganiseerd om welzijnswerkers bij te scholen. Er kwam een definitieve subsidieregeling voor het maatschappelijk werk tot stand. Hierna was er een enorme groei van het werk waar te nemen. De beroepseigenheid van de maatschappelijk werker werd in deze periode onderzocht. Er werd doelgerichter en systematischer gewerkt, dieper ingegaan op veel sociale problematiek, wat vervolgens in de hulpgebieden betrokken werd. Dit voegde nieuwe elementen aan de
beroepssituatie toe. Er werden duidelijk stappen genomen op weg naar een volwaardig beroep. Eén van de kenmerken was de beroepscode, die normen geeft voor het handelen van een professional. Een andere belangrijke ontwikkeling in deze periode was de uitbreiding van club- en buurthuizen welke bestemd waren voor jeugdigen en volwassenen die geremd werden in hun vorming en ontwikkeling doordat ze in een achterstandssituatie leefden. Er begonnen raakvlakken te ontstaan met het gespecialiseerd gezins- en wijkwerk dat zich op probleemgezinnen richtte.
1975: VERDERE PROFESSIONALISERING
In een verslag van de Raad van Advies van de Nederlandse Organisatie van Welzijnswerkers kwam in 1984 naar voren dat een zwaarder accent moest worden gelegd op de verdere professionalisering van deskundigheden. Ook werd het welzijnswerk ‘te vaag’ gevonden.
1985: MARKTDENKEN
In deze tijd ontstond het beroepsprofiel van de maatschappelijk werkers. Hierin is vastgelegd wat het beroep inhoudt, tevens staan de normen en waarden beschreven die gelden binnen het maatschappelijk werk. Deze normen en waarden zijn richtinggevend in het beroepsmatig handelen. Het beroepsprofiel kreeg niet alleen een functionele uitwerking naar de opleidingen voor maatschappelijk werk, maar had ook betekenis voor onder andere meer nascholing en methodiekontwikkeling. Met het aannemen van het beroepsprofiel volgden de ontwikkelingen in de professionalisering
van het beroep van maatschappelijk werker elkaar snel op. Typerend voor deze periode was dat het ‘marktdenken’ ontstond. Het maatschappelijk werk als beroep veranderde. Tien jaar geleden kon er uren tijd gestoken worden in één cliënt en mocht iedere maatschappelijk werker zelf zijn tijd met cliënten indelen. Die tijd was voorbij. Er werden in deze tijd steeds meer regels van bovenaf opgelegd, waarin stond hoe een cliënt het beste geholpen kon worden. Een voorbeeld hiervan is dat de geldkraan door de overheid dichtgedraaid kon worden en de instelling kon aan de hand van de
geboden hulp geld ontvangen. Vandaag de dag lijkt de cliënt een ‘produkt’ te worden, waarin geïnvesteerd moet worden. Steeds meer maatschappelijk werkers kunnen een eigen praktijk beginnen onder de naam ‘de vrij gevestigde maatschappelijk werkers’. Dit zijn heel globaal de laatste ontwikkelingen binnen het maatschappelijk werk.
HULPVERLENINGSINSTELLINGEN
Er worden een aantal instellingen genoemd die in de loop van de tijd zijn ontstaan en kort aangeven welke mensen er terecht kunnen:
Regionale Instelling Ambulante Algemene Gezondheidszorg - RIAGG
De RIAGG is een voorziening waar mensen terecht kunnen met psychosociale problemen. Doorgaans hebben de problemen een dieperliggende oorzaak.
Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW)
Het AMW is een eerstelijns voorziening waar iedereen in eerste instantie terecht kan met alle soorten vragen en/of problemen.
Jongeren Advies Bureau (JAB)
Het JAB, ook wel JAC of JHC (jeugdhulpverlenings centrum) genoemd, is een voorziening speciaal voor jongeren in de leeftijd van 12 t/m 23 jaar, waar ze terecht kunnen voor allerlei soorten vragen en/of problemen.
Consultatieburo voor Alcohol en Drugs (CAD)
Het CAD is een voorziening waar mensen werken die gespecialiseerd zijn in problemen rondom alcohol, drugs en gokproblemen.
Sociaal Pedagogische Dienst(SPD)
De SPD is een voorziening voor mensen die achtergebleven zijn in hun ontwikkeling.
Reclassering
De reclassering verleent hulp aan mensen die op wat voor manier dan ook in aanraking zijn gekomen met politie of justitie. Er is een speciale tak ‘jeugdreclassering’ voor minderjarige jongeren.
Bedrijfsmaatschappelijk werk
Het bedrijfsmaatschappelijk werk houdt zich bezig met hulpverlening aan werknemers bij problemen, die veroorzaakt worden door en zich voordoen in de werksituatie. Deze problemen kunnen betrekking hebben op de privé omstandigheden.
Federatie Instelling Ongehuwde Moeders (FIOM)
De FIOM is een voorziening welke hulp verleent bij zwangerschap en alleenstaand ouderschap.
Thuiszorg
Thuiszorg is een brede organisatie waarvan de hulp varieert van pedagogische ondersteuning in gezinnen tot individuele hulp aan jong en oud.
Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD)
Het bijstandsmaatschappelijk werk is een voorziening die er op gericht is mensen te helpen op financieel en sociaal niveau.
Het schoolmaatschappelijk werk
Het schoolmaatschappelijk werk houdt zich bezig met hulpverlening aan het schoolgaande kind, maar ook aan de ouders. Een belangrijk kenmerk is de intensieve samenwerking met de school.
Opvoedingsondersteuning
Opvoedingondersteuning is een voorziening waar ouders terecht kunnen voor problemen bij de opvoeding van hun kinderen in de leeftijd van nul tot en met ongeveer tien jaar.
Stichting Schouder aan Schouder (SAS)
Stichting Schouder aan Schouder is er voor seksueel misbruikte jongens en mannen. De stichting bestaat sinds 1996 en heeft nu een hulplijn op 5 werkdagen van 20.00 tot 23.00 uur en een jaarlijkse praatgroep [8 sessies].Bereikbaar op weekdagen onder telefoonnummer: 06.2726.1646
Geschiedenis jeugdhulpverlening
16e eeuw: opkomst weeshuizen tot
Aan het begin van de 16e eeuw ontwikkelde zich het idee, dat kinderen “onschuldig” waren. Vooral vanuit het onderwijs werd er in toenemende mate op gewezen dat het kind een bijzonder schepsel was, met een eigen aard en eigen behoeften. Kinderen hadden een specifieke zorg nodig, die het best kon worden gegeven als ze beschermd werden tegen de verleidingen van de ‘grote’ wereld. Men vond dat ze een ‘eigen’ onderkomen moesten kunnen krijgen en zo werd het eerste weeshuis opgericht. Vanaf dat moment groeide het aantal internaten en inrichtingen.
20e eeuw: de laatste ontwikkelingen.
In de 18e eeuw kwamen er opstanden in de weeshuizen, met name door het groeiende aantal opgenomen kinderen. Hoe meer kinderen er kwamen, hoe moeilijker het werd om de massa onder de duim te houden. Er ontstonden grote wantoestanden in de weeshuizen. Het personeel was kwantitatief en kwalitatief ver beneden de maat. Van onderwijs en opvoeding kwam niets terecht. De wantoestanden werden aan de kaak gesteld en een aantal weeshuizen werd voorgoed gesloten. De kinderen werden grotendeels onder gebracht in pleeggezinnen. De filantropische beweging in de 18e eeuw was er
vooral op gericht de sociale orde te handhaven. Er werd door hen een prijsvraag uitgeschreven over een nog steeds actueel onderwerp: welke vorm verdient de voorkeur, pleeggezinnen of internaten? De filantropen pleitten voor pleeggezinnen. Het uiteindelijke doel werd bereikt door de filantropische beweging, namelijk dat in de overgang van de 18e naar de 19e eeuw op grotere schaal bezorgdheid ontstond over de opvoeding van kinderen. De gemeenschap en ook de overheid begon zich meer en meer voor kinderen en jongeren verantwoordelijk te voelen. Het particulier initiatief ontwikkelde
zich steeds duidelijker. Men richtte zich op een nieuwe doelgroep: ‘de verwaarloosde jeugd’. De traditionele wezenzorg ging over in de opvang van verwaarloosde en zelfs criminele kinderen. De deskundige ‘kinderbeschermers’ beloofden zelfs behandeling. Door deze kenmerken kon men deze ontwikkeling beschouwen als geboorte van de jeugdhulpverlening. Rond de eeuwwisseling ontstond orthopedagogiek als een nieuwe tak van wetenschap. Er werd meer onderzoek gedaan en het personeel werd met meer zorg uitgekozen. Men eiste opleidingscursussen voor het personeel. Langzamerhand
ontstonden ‘deskundigen’, die hun bemoeiingen over een breder terrein konden uitstrekken. Ook in de literatuur kwam meer aandacht voor de eigen aard en de mogelijkheden voor het kind.
In de jaren 60 ontstond een andere visie op de mens en op de hulpverlening. Men nam er geen genoegen meer mee, dat anderen, met name de kinderrechter, bepaalde wat goed was voor jeugdigen en hun problemen. Gezocht werd naar nieuwe betekenissen en naar oplossingen. De heersende opvattingen over de inhoud van de zorg werden krachtig aangevallen; men ging er namelijk van uit dat door middel van therapie de mens kon veranderen. De kritiek op deze wijze van denken benadrukte, dat deze benaderingswijze
de mens beschouwt als object en niet als medesubject. Er kwam meer aandacht voor de maatschappijproblemen en voor het systeem, waaruit de hulpvraag voortkwam. Men zag de nood van mensen meer als een logisch gevolg van een verkeerd ingerichte maatschappij, de fout lag niet bij de zorgbehoevenden, maar bij de maatschappelijke structuren. Men ging er steeds meer toe over ook het gezin bij de hulpverlening te betrekken. Plaatsingen door de kinderrechter op grond van justitiële maatregelen maakten steeds meer plaats voor vrijwillige plaatsingen. Mede onder invloed van de
democratiseringsbeweging ontstonden er nieuwe vormen van jeugdhulpverlening: het aantal grote tehuizen nam af, de leefgroepen werden kleiner. De zelfstandigheid en de mondigheid van de jonge mens kwam meer centraal te staan. De jongere kreeg meer inspraak. Alternatieve hulpverleners accepteerden de jongeren in hun levensstijl en in de moeilijkheden die dat met zich meebracht. Jongeren kwamen in deze tijd met andere vragen en hadden te maken met andere problemen. Er werd om steun gevraagd om in de vaak ontbrekende materiële zaken, zoals inkomen en onderdak, te voorzien. Men ging
inzien dat de jongeren hulp zouden accepteren, wanneer zij ervaarden dat hun eigen gedachten over de probleemsituatie en de oplossing daarvoor in aanmerking genomen zouden worden en dat er geen beslissingen over hun hoofden heen werden genomen. Ondanks nieuwe vormen van hulpverlening en er beginnende veranderende denkwijze, bleef de onvrede. De nadruk lag vooral op de onmacht en de zwakke kant van de zorg en pedagogiek in verschillende inrichtingen en tehuizen, zoals het gemis aan inspraak, celstraffen, het exploiteren van kinderen (elk onbezet bed betekende subsidieverlies) en
miskenning van de rechten van het kind. Men achtte de organen van de justitiële kinderbescherming autoritair, bureaucratisch en ondeskundig. Alternatieve hulpverlenende instanties als Jongeren Adviescentra’s boden onderdak en hulp aan uit inrichtingen- en van huis weggelopen jeugdigen, waarmee ze riskeerden in conflict te komen met de wet. Er ontstond protest tegen de bestaande hulpverlening. De hulpverlening werkte onderdrukkend; in plaats van kinderen te helpen werden ze monddood gemaakt. De drempels van de meeste instellingen waren veel te hoog voor jongeren en de
traditionele hulpverlening hield zich alleen bezig met het ‘oplappen’ van de cliënt en paste hem weer aan het huidige systeem aan. De kritiek werd niet constructief opgepakt. De aangevallenen gingen in de verdediging en inmiddels liepen veel jongeren weg uit de traditionele hulpverlening naar de alternatieve hulpverlening. In 1976 bracht de werkgroep Mik haar eindrapport uit. Dit rapport was erg belangrijk voor de jeugdhulpverlening, namelijk een aantal idealen die de werkgroep tot stand wilde zien komen, zijn opgenomen in de huidige Wet op de Jeugdhulpverlening. De werkgroep
ging ervan uit dat de overheid moest streven naar gunstige omstandigheden voor het groeiproces van de jongere. Jeugdwelzijnsbeleid betekende enerzijds een zo min mogelijk apart stellen van de jongere ten opzichte van ouderen en anderzijds een erkenning van specifieke eigen behoeften van jongeren. Zij vonden dat de meerderjarigheidsgrens verlaagd moet worden, terwijl aan jongeren geleidelijk aan meer rechten moesten worden toegekend. Verder moest het beleid worden gedecentraliseerd naar lagere overheden. De regering gaf gehoor aan de inzet van de werkgroep Mik om hun werk nader uit te
werken. Twee andere werkgroepen die inmiddels in het leven waren geroepen waren de Interdepartementale Werkgroep Residentiële voorzieningen (IWRV) en de Interdepartementale Werkgroep Ambulante en Preventieve Voorzieningen (IWAPV). Deze werkgroepen deden aanbevelingen voor de jeugdhulpverlening. Eén van die aanbevelingen was: voorkeur om de hulpverlening ‘dicht bij huis, in een zo licht mogelijke vorm, zo kort mogelijk en zo tijdig mogelijk’, het zogenaamde ‘zo-zo-zo-zo-beleid’. Ambulante zorg, dagbehandeling en pleegzorg dienden te worden gestimuleerd; tehuisplaatsingen
zoveel mogelijk vermeden. De aanbevelingen van de IWRV en van de IWAPV werden in het veld van de jeugdhulpverlening over het algemeen zeer positief ontvangen en ze vormden het verdere beleidskader voor de jeugdhulpverlening. Het verschijnen van de beide eindrapporten van de beide werkgroepen kan worden gezien als een mijlpaal in het jeugdhulpverleningsbeleid.
Wet op de Jeugdhulpverlening.
In 1989 werd de Wet op de Jeugdhulpverlening aanvaard. Omschreven werd wat onder jeugd en wat onder jeugdhulpverlening wordt verstaan en welke voorzieningen onder de werking van de Wet vallen. In de Wet werden onder andere de adviezen van de IWRV en de IWAPV vastgelegd; het ‘zo-zo-zo-zo-beleid’. Samenwerking werd een eerste doelstelling van de wet. Eén van de manieren om dit te bereiken was via een samenwerkingsverband. In alle regio’s gingen regionale samenwerkingsverbanden aan de slag. Door de wet kun je spreken
van structuurversterking, die gericht is op samenhang, onderlinge afstemming. In 1987 werd geconstateerd dat het ontbreken van samenwerking tussen hulpverleners vanuit de verschillende hulpverleningsinstituten een veelvuldig gesignaleerd probleem is. Er zullen naar mijn idee hechte contacten moeten worden onderhouden met onder andere politie en justitie, gezondheidszorg, onderwijs, sociaal-cultureel werk, etcetera, om vorm te geven aan een preventief beleid. De laatste jaren is veel aandacht besteed aan en nagedacht over de samenwerking tussen verschillende
jeugdhulpverleningsinstellingen. Er zijn allerlei samenwerkingsverbanden ontstaan. De laatste ontwikkeling is het vormen van Bureau’s Jeugdzorg en Multi Functionele Organisaties (MFO’s). Dit is een vorm van hulpverlening met als doel: het komen tot een herkenbare toegang tot de jeugdzorg en een goede onderlinge afstemming van de geboden hulp. Een Bureau Jeugdzorg verleent in principe lichte en kortdurende hulp. Als dit niet voldoende is, dan gaan ze over tot aanmelding/screening, diagnostiek, indicatiestelling en zorgtoewijzing. Dit geldt voor ‘zwaardere’ hulp,
bijvoorbeeld in geval van uithuisplaatsingen in een residentiële instelling. Na de indicatiestelling en zorgtoewijzing is het de beurt aan de MFO, die als functie heeft: het aanbieden van een plek die past bij de jongere en bij zijn ouders. De MFO bestaat in ieder geval uit residentiële hulpvormen, dagbehandeling, pleegzorg en intensieve ambulante hulpverlening. Een groot voordeel van de vorming van Bureau’s Jeugdzorg en MFO’s is dat er voor de beantwoording van een hulpvraag niet meer onnodig gezocht hoeft te worden naar welke instelling het beste bij de hulpvraag past. Het
gaat om ‘hulp op maat’: het aanbod dient bij de aanmelding zo zorgvuldig mogelijk te worden toegesneden op de hulpvraag van de cliënt. Bij wijzigingen van de hulpvraag of hulpbehoefte hoeft een cliënt niet steeds van de ene naar de andere organisatie verwezen te worden, steeds een nieuwe intake te ondergaan en telkens weer zijn verhaal te doen. De vorming van Bureaus Jeugdzorg en MFO’s is natuurlijk geen garantie dat er een perfect jeugdzorgsysteem tot stand komt, maar met deze voorzieningen worden er wel voorwaarden gecreëerd waardoor de kans dat de kwaliteit van de
jeugdhulpverlening verbetert, groter wordt. Verschillende hulpverleningsinstanties zijn hierbij betrokken. Zo krijgt de jongere veel sneller de juiste hulp. In verschillende plaatsen in Nederland draaien de Bureaus Jeugdzorg al.
Jeugdhulpverleningsinstellingen.
In paragraaf 1.3 woorden een aantal hulpverleningsvoorzieningen genoemd. Daaronder staan ook jeugdhulpverleningsinstellingen. De voorzieningen zullen nog eens genoemd worden waar jongeren met vragen en/of problemen terecht kunnen:
· Jongeren Advies Bureau; een gespecialiseerde voorziening voor jongeren in de leeftijd van 12 t/m 23 jaar.
· Regionale Instelling Ambulante Geestelijke gezondheidszorg; de RIAGG heeft een speciale jeugdafdeling voor jongeren tot 18 jaar.
· Algemeen Maatschappelijk Werk; het AMW staat voor algemeen en verleent daarmee ook hulp aan jongeren. Het verschilt per AMW of er een gespecialiseerd maatschappelijk werker voor is.
· Consultatie bureau aan Alcohol en Drugs; een voorziening voor verslaafde jongeren.
· Sociaal Pedagogische Dienst; deze voorziening is er voor jongeren die een achterstand in hun ontwikkeling hebben.
· Jeugd reclassering; deze voorzieningen is er als jongeren met politie of justitie in aanraking komen.
· Raad voor de Kinderbescherming; hier kunnen jongeren terecht voor informatie over justitiële maatregelen.
SOCIALISATIE VAN JONGENS
Inleiding:
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het begrip socialisatie. Wat is socialisatie ? Hoe zijn we geworden die we zijn ? Socialisatie is één van de belangrijkste aspecten in de seksespecifieke ontwikkeling van jongens en meiden. Dat is de reden waarom aan dit onderwerp aandacht wordt gegeven. Veel oorzaken van verschillen tussen jongens en meisjes
in beleven, voelen en dergelijke zijn te vinden in het socialisatieproces. Gezien het onderwerp van de scriptie zal beperkt worden tot de socialisatie van jongens. De scriptie zal het begrip socialisatie duidelijk maken, waarna dieper op het begrip socialisatie ingegaan wordt en gekeken wordt op wat voor manier socialisatie werkelijk van grote betekenis is. Alle socialisatiepatronen gelden natuurlijk niet voor alle jongens, laat staan dat ze even sterk voor alle jongens gelden en een gedeelte gaat over mannelijkheidscoderingen, waaraan veel jongens 'moeten' voldoen. Het is goed
deze coderingen tijdens de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens in het achterhoofd te houden en bespreekbaar te maken. Deze mannelijkheidscoderingen bepalen grotendeels met welke hulpvragen jongens komen in de hulpverlening. Ook wordt uitgebreider ingegaan op de hulpvragen en de problematiek van jongens in vergelijking met meiden en komt de sekse van de hulpverlener aan bod.
Het begrip socialisatie.
Onder socialisatie wordt verstaan het hele proces waarbij we leren een deel van deze maatschappij te zijn, waarin we de waarden, normen en gebruiken van die maatschappij ons eigen maken tot ze een deel zijn geworden van onze persoonlijkheid. Een groot deel van dat socialisatieproces is de socialisatie tot man of vrouw. Socialisatie is dus een breder begrip dan opvoeding, want het omvat meer dan de bewuste pogingen van ouders of leerkrachten om kinderen iets te leren. Ook onbewuste invloeden zijn
er een deel van, bijvoorbeeld door imitatie; kinderen bootsen het gedrag van volwassenen en van kinderen in hun omgeving na. De volgende factoren zijn van invloed op jongens: de invloed van buitenaf, de wijze waarop iemand zich de maatschappelijke werkelijkheid eigen maakt en de manier waarop ze daarin hun vermogens ontwikkelen.
Socialisatie van jongens.
Aangezien de socialisatie van jongens een belangrijk onderdeel is van mijn scriptie, wil ik teruggaan naar de eerste levensjaren van het jongetje, die van grote betekenis zijn. In deze fase wordt de basis gelegd voor de geslachtsidentiteit. Het is een feit dat de meeste jongens door vrouwen worden opgevoed en dat mannen in de verzorging en opvoeding van jongens meestal maar een zeer beperkte rol spelen. Ondanks dat er op dit moment meer vrouwen op de arbeidsmarkt komen, zijn vrouwen over het
algemeen vaker thuis. En als moeder werkt, dan is de opvang meestal ook weer een vrouwenzaak. Onder andere Nancy Chodorow[i] analyseert de ontwikkeling van het mannelijk inlevingsvermogen. In zijn eerste, primaire relatie, die met de moeder, ervaart hij empathie, gevoelens van eenheid en gehechtheid. Hij beleeft zichzelf in relatie tot een ander. De maatschappij verwacht van jongens het zich eigen maken van een mannelijke identiteit en
sekserol. Daarvoor is een identificatiewisseling nodig. Het jongetje richt zich op de vader, wat inhoudt dat hij de allereerste liefde voor de moeder verdringt. Het niet kunnen oriënteren op de moeder ervaart het jongetje als verraad, als een loslaten. Deze scheiding leert jongens al zeer vroeg ego-grenzen trekken, om zich tegen de pijn die de scheiding met zich meebrengt te wapenen. Met het verdringen van de liefde voor de moeder stopt hij tegelijkertijd zijn ervaringen weg met empathie, verbondenheid, het zichzelf ervaren in relatie tot een ander. Het jongetje gaat
voortaan zijn relationeel vermogen ontkennen om als autonoom individu gezien te worden. Dit betekent niet dat hij zo'n vermogen niet heeft, maar hij mag/kan er alleen geen gebruik van maken. Het jongetje heeft een vader(figuur) nodig, die niet aanwezig is en het beeld dat hij van vader heeft is onduidelijk; wat het betekent om man te zijn, wat daarbij komt kijken, wat je daarbij kunt voelen, etcetera. Door het ontbreken van duidelijke identificatiemogelijkheden loopt het man worden op zo'n manier grotendeels via idealisering. Symbolen, verbeelding en fantasie spelen daarin
een belangrijke rol en deze worden sterk ondersteund door irreële beelden van de media, onderlinge verhalen of de bluf van oudere jongens. Volgens Chodorow is deze idealisering losgekoppeld van affectieve processen. Het jongetje identificeert zich slechts met deelaspecten van de vader, want er is geen permanente relatie met hem. De identificatie is vooral gericht op taken, functies en bezigheden: op een plaats in en deelname aan het maatschappelijk leven. Deze identificatie noemt men 'positioneel'. De geringe aandacht voor het relationeel zijn in het mannelijke
identificatieproces zegt mogelijk iets over het feit dat jongens en mannen zich minder goed kunnen inleven en minder met het gevoel bezig zijn dan vrouwen. Een actiever vaderschap zou een jongen kunnen stimuleren om relationeel actiever te zijn.
Mannelijke Identiteit.
Vanaf de geboorte wordt een jongen gevuld met beelden die gericht zijn op mannelijke posities. Beelden, normen, ideeën en gedachten worden vastgelegd over hoe een jongen zich hoort te gedragen en hoe hij zich moet voelen. School, opvoeding, reclame en dergelijke, spelen erop in door middel van gedragscodes omtrent mannelijkheid. Deze
gedragsregels waaraan jongens en mannen moeten voldoen worden aangeduid met het begrip mannelijkheidscoderingen waarmee gewerkt wordt in de mannenhulpverlening. Onder mannelijkheidscoderingen versta ik boodschappen voor gedrag en voor beleving van mannen; boodschappen die het zelfbeeld van de man bepalen, evenals het beeld dat zij naar anderen willen communiceren. Mannelijkheidscoderingen fungeren als een soort stemmetje die influisteren hoe men zich als man hoort te voelen, te uiten en te gedragen. Het zijn de normen en waarden met betrekking tot mannelijkheid die gesteld zijn, en
beleefd worden, in termen van 'moeten'. Mannelijkheidscoderingen hebben betrekking op alle belangrijke levensgebieden van mannen: op arbeid, op relaties, op seksualiteit, opvoeding, etcetera. Ik zal de coderingen, en de manier waarop deze geïnternaliseerde boodschappen voor jongens in de adolescentiefase spelen, bespreken, omdat ik ze belangrijk vind in het nadenken over mannen. Het kan helpen om mannen beter te begrijpen in hun denken, voelen en handelen. Op deze mannelijkheidscoderingen kom ik terug in hoofdstuk drie over seksueel misbruik van jongens.
a. Seksualiteit:
Codering: 'Intimiteit beleef ik door seksualiteit'. Seksualiteit en intimiteit is mijns inziens voor mannen sterk aan elkaar gekoppeld. Een man beleeft vaak iets anders tijdens het vrijen dan een vrouw. Bij veel heteroseksuele mannen is het zo dat ze moeilijk intimiteit en nabijheid met mannen kunnen delen.
b. Arbeid;
Codering: 'Het belangrijkste in mijn leven is een betaalde baan'. Vanaf de wieg worden jongens klaargestoomd voor een plaats op de arbeidsmarkt; zij moeten zoals ik al eerder schreef voor een inkomen zorgen, voor zichzelf en vaak ook voor vrouwen en/of kinderen. De positie binnen het arbeidsproces levert mannen materiële en immateriële macht
op zoals geld, bezit en status. Het minderwaardigheidsgevoel, het gevoel er niet meer bij te horen, ontstaat vaak, als deze arbeid wegvalt.
c. Individuele prestatiegerichtheid;
Codering: 'Ik moet beter, sneller en sterker zijn dan andere mannen'. We leven in een maatschappelijk en economisch systeem waarin concurrentie en winst belangrijke principes zijn en waarin vooral de winnaars gewaardeerd worden. Op zich is daar niks mis mee, want een gezonde concurrentie kan heel vruchtbaar zijn. Maar prestaties en daarmee
waardering en beloning van de besten gaat vaak gepaard met onderwaardering, negeren of zelfs bestraffen van iedereen die niet als beste uit de bus komt. Door jongens wordt dit dan ook vaak beleefd als afwijzing, afgang of verlies; kortom als falen. Concurrentie draagt ook bij aan isolement: het is moeilijk om verbindingen aan te gaan en samen te werken als men tegelijkertijd in een strijd met elkaar is verwikkeld om waardering, aandacht, prestige, etcetera. Dit plaatst mannen vaak in een eenzame positie.
d. Handelingsgerichtheid;
Codering: 'Als jongen hoor ik erbij zodra ik iets doe dat tastbaar of zichtbaar is'. Jongens leren al heel vroeg in hun leven dat aandacht (positief als negatief) en waardering vooral te verkrijgen zijn door iets te doen of door iets te maken, door prestaties te leveren. Jongens en mannen zijn daardoor handelingsgericht en resultaatgericht. De
mannelijke gecodeerdheid richting presteren en dadendrang maakt dat jongens vaak een gezonde ondernemingszin en experimenteerlust ontwikkelen. Deze socialisatie heeft echter ook een schaduwzijde, in zoverre dat het mannelijke gevoel van eigenwaarde vaak al vroeg gevangen raakt in de prestatiecirkel.
e. Zorgend en verzorgend gedrag;
Codering: 'Vrouwen zijn er om mij te verzorgen; ik moet voor hen zorgen'. Jongens wordt geleerd dat vrouwen goed zijn in verzorgende posities. Een bekend spreekwoord is bijvoorbeeld: 'achter iedere man staat een vrouw'. Dit is de beleving van veel mannen. Het verzorgen is aan vrouwen toebedeeld. Zorgen kunnen mannen goed. Kenmerkend voor die
situaties is dat degene voor wie een man zorgt onder hem staat en dus niet bedreigend voor hem is. Zorgen speelt bijvoorbeeld in de situatie dat een vrouw huilt. In de ogen van een man is een vrouw dan zielig, zwak, kwetsbaar en afhankelijk van hem. Dit zorgen ervaren veel mannen als een sterk verantwoordelijkheidsbesef voor vrouwen.
f. Afstandelijkheid;
Codering: 'Ik laat me door niets en niemand meeslepen, diepere gevoelens houd ik van me af'. De mannelijke posities eisen vaak een gedrag dat gericht is op resultaat, op presteren. Om veel te kunnen presteren moeten diepere gevoelens op een afstand gezet worden. Mannen raken in de war door hun gevoelens. Meestal geven ze er niet aan toe, nemen
afstand en gedragen zich als een stoere vent. Dit kan zover gaan dat ze zichzelf van hun gevoelens vervreemden, het lijkt dan of ze niet te raken zijn.
g. Verstandelijkheid;
Codering: 'Ik denk alvorens ik doe'. Jongens leren vooral hun hoofd te gebruiken. Ze moeten situaties kunnen beheersen op een verstandelijke manier. Tegen jongetjes wordt maar al te vaak gezegd dat ze 'verstandig' moeten zijn. Een hulpverlener: " Mannen mogen situaties niet uit de hand laten lopen. Dit doen ze door verstandelijk beheersen
en emoties buiten te sluiten. Jongens en mannen leren weinig om op hun intuïtie te vertrouwen, intuïtie is bij mannen slecht ontwikkeld."
h. [Non] verbaliteit
Codering: 'Als ik aan het woord ben, iets zeg, dan ben ik belangrijk'. Spreken heeft alles te maken met communicatie. Ook het nonverbale gedrag zoals houding en/of gelaatsuitdrukkingen is communicatie. Mannen spelen op beide gebieden een dominante rol. In het nonverbale zijn het vaak jongens die al 'breeduit' aanwezig zijn. Ze zitten vaak
wijdbeens, breeduit. Mannen en/of vaders hebben vaak een eigen plek (vaders eigen stoel).
Gevolgen van de mannelijkheidscoderingen.
De coderingen zoals hierboven besproken fungeren als een soort richtingwijzers voor de ontwikkeling van mannelijke identiteit. Dat hoeft op zich nog geen probleem te zijn. Het wordt echter wel een probleem als ze andere opties en gedrag gaan belemmeren: coderingen worden dan grensposten. Een van de meest gevoelige en misschien ook meest
problematische gevolgen van de mannelijke gecodeerdheid is isolement: het zich emotioneel alleen voelen, geslotenheid, het gevoel afgesneden te zijn van anderen en van de wereld. Isolement kan zich bij jongens en mannen op verschillende manieren uiten: in eenzaamheid, in het gevoel/idee alles alleen te moeten doen, er alleen voor te staan, in emotionele geslotenheid, alles op de nek te nemen en het gevoel/idee niet meer mee te tellen en tekort te schieten als niet aan de mannelijkheidscoderingen wordt voldaan. De codering die wellicht het meest bijdraagt aan het ontstaan van het
isolement is die richting zelfstandigheid. Ook de prestatiemoraal en concurrentiecoderingen dragen bij aan het mannelijk isolement. De coderingen richting zelfbeheersing en het afweren van emoties zorgen ervoor dat belangrijke stukken van de beleving en gevoelswereld aan verdringing onderhevig raken en dat leidt tot isolement. In onze maatschappij worden jongens enerzijds geïdealiseerd, anderzijds worden jongens niet serieus genomen en betekent jong zijn niks in te brengen hebben. Hoe ouder jongens worden, hoe sterker ze gaan voelen dat de tijd nadert dat ze zich moeten gaan
bewijzen en dat houdt in onze cultuur in een maatschappelijke carrière (een goed betaalde baan, een duurzame relatie, kinderen etcetera). Trefor Lloyd stelt in het boek 'Tussen branie en verlegenheid' dat jongens met name in de adolescentieperiode klem komen te zitten als gevolg van de tegenstrijdige boodschappen, eisen en verwachtingen waar ze mee geconfronteerd worden, namelijk: beelden van het jong zijn (afhankelijk, zwak, dom, naïef, emotioneel, onstabiel, bang, onrijp, seksueel kwetsbaar) en beelden van mannelijkheid (onafhankelijk,
sterk, intelligent, lichamelijk ervaren, stabiel moedig, seksueel agressief). Deze beelden zijn met elkaar in tegenspraak. Het onbehagen van de adolescentie en het zoeken naar een eigen identiteit gaat gepaard met pogingen zich te bewijzen. Dit uit zich bij jongens in branie, bluf, stoerdoenerij en bravoure gedrag. Daaronder liggen vaak gevoelens van angst, minderwaardigheid, verlegenheid en kwetsbaarheid. Woltring, de schrijver van het bovenstaande boek acht deze tegenstelling in het gedrag en de beleving van jongens zo fundamenteel dat hij er de titel van zijn boek aan heeft
ontleend.
Omgaan met gevoelens & problemen en hulpvragen.
Zoals blijkt uit de socialisatie van jongens hebben jongens doorgaans meer moeite om over gevoelens te praten. Gevoelens van angsten, onzekerheid en twijfels, het niet meer weten, en dergelijke, passen niet in het beeld van de 'echte' man. Mede gestuurd door de prestatie-codering zie je namelijk dat jongens hun best gaan doen om te bewijzen dat
ze niet bang zijn. Als deze gevoelens aanwezig zijn, wat ongetwijfeld het geval is, zullen de meeste jongens dit voor zichzelf houden en proberen dit zelf op te lossen. Deze gegevens hebben weer betrekking op de hulpvraag waar jongens in de hulpverlening mee komen.
Hulpvragen en problematiek.
De volgende gegevens komen uit een onderzoek naar meidenhulpverlening op de Jongeren Advies Centra's (JAC), uitgevoerd door Mieke te Vaarwerk in opdracht van het Landelijk Overleg Alternatieve Hulpverlening; in dit onderzoek werden gegevens en hulpvragen van meiden steeds vergeleken met die van jongens. Om vergelijkingsmateriaal te hebben noem ik cijfers van jongens naast cijfers van hulpvragen van meiden. Over het algemeen zie je in de hulpverlening dat jongens met vragen komen op materieel
terrein. Dieperliggende problemen of oorzaken van hun mislukkingen lijken ze uit de weg te gaan. Uit genoemd onderzoek blijkt dat 60% van de jongens die een beroep doen op de JAC's praktische materiële hulpvragen stellen. (Voor meisjes is dat ongeveer 40%). Dit zijn met name vragen rond huisvesting, inkomen en in mindere mate vragen rond werk en/of school. Het accent lijkt te liggen op het zich verwerven van een maatschappelijke positie. Dit kan deels verklaard worden uit het feit dat de helft van deze jongens 18 jaar of ouder is. Echter ook voor jongens die veertien jaar of jonger
zijn geldt dat iets minder dan de helft vragen stelt rond onderdak. Het gaat dan vaak om weglopers. Mijn ervaring bij het Jongeren Advies Bureau sluit hierbij aan. In veel gevallen zat achter de hulpvraag psychosociale problematiek. Soms kwam een jongen daar later mee, soms wilde hij er helemaal geen aandacht aan besteden en 'loste hij het zelf wel op'. De hulpvraag was dan bijvoorbeeld: "Ik wil uit huis" of "ik zoek woonruimte." Ongeveer 40% van de hulpzoekende jongens stelt vragen in verband met weglopen en de relatie met de ouders. Bij meiden is dit 60%. Echter
slechts een op de zes jongens stelt vragen in verband met problemen in de relatie met hun ouders tegenover een op de drie meiden, dus de inhoud van de relatie. Zo had ik een hulpverleningscontact met een jongen die veel had mee gemaakt aan problemen met zijn ouders; zijn ouders waren gescheiden en hij had een slecht contact met zijn vader, welke opnieuw getrouwd was. In zijn hulpvraag kwamen die problemen echter niet naar voren. Hij vond dat hij zijn ouders niet meer nodig had. Zijn hulpvraag was dan ook praktisch van aard: "Wat kun je voor me regelen?" Hij liet mij merken
dat hij niet over zijn problemen wilde praten, door op andere onderwerpen over te gaan wanneer ik bepaalde zaken aan de orde stelde. Hulp vragen is voor jongens moeilijker dan voor meiden, omdat naar mijn mening dit niet past in het (zelf)beeld dat de jongen heeft van zichzelf als man (zelfstandig, onafhankelijk, etc.).
De sekse van de hulpverlener.
Bij veel instellingen wordt standaard aan jongeren gevraagd of zij liever met een man dan wel met een vrouw willen spreken. Belangrijk in het hulpverleningscontact vind ik dat de jongen in dit geval zich op zijn gemak voelt bij degene aan wie hij zijn verhaal vertelt. De situatie kan zich voordoen dat de jongen, misbruikt door een man, zich bij mannen meer op zijn gemak voelt, omdat deze hem helemaal zou kunnen 'aanvoelen', maar het tegenovergestelde kan zich ook voordoen, jongens kunnen zich
onzeker voelen, juist omdat ze een man tegenover zich hebben zitten. Gedachten zouden kunnen zijn: "Wat zou hij over mij denken, zou hij mij ook een mietje vinden?", waardoor het veiliger voor jongens kan zijn om met een vrouw te praten. Naar aanleiding van mijn scriptie heb ik een aantal willekeurige jongens vanuit mijn privé- omgeving nagevraagd over hun voorkeur om met een vrouw of een man te praten als het gaat om persoonlijke onderwerpen. Hierop was het meest gegeven antwoord dat ze zich bij vrouwen beter op hun gemak voelden. Dit had onder andere te maken met het
zich niet hoeven bewijzen, in die zin van zich sterk voordoen, zich groot houden, etcetera. Het zich sneller kwetsbaar opstellen van vrouwen, werkte volgens deze jongens positief door en maakte dit voor hen ook makkelijker. Een reden om voor een mannelijke hulpverlener te kiezen, kan zijn omdat hij mogelijkheden biedt tot identificatie door zijn mannelijke manier van zorgen en hij kan laten zien dat mannelijke gevoelens gedeeld kunnen worden. Mijns inziens is er geen standaard antwoord te vinden op de vraag wanneer seksueel misbruikte jongens door welke sekse hulpverlener
geholpen moet worden. Ook hierin vind ik het belangrijk om de keuze van de jongen serieus te nemen. Daarnaast lijkt het mij goed om als aandachtspunt voor ogen te houden dat, in geval van angst voor een bepaalde sekse die voortkomt vanuit het misbruik, dit bespreekbaar te maken en te werken aan het overwinnen van de angst. Uiteraard is het van belang dit zorgvuldig te doen. In geval van praatgroepen voor jongens kan zowel een mannelijke als een vrouwelijke hulpverlener een oplossing zijn.
SEKSUEEL MISBRUIK VAN JONGENS
Inleiding
Uit de term seksueel misbruik kun je twee woorden halen, namelijk seksualiteit en misbruik Hoewel beide woorden gangbaar zijn in ons taalgebruik, is niet altijd zonder meer duidelijk wat er mee bedoeld wordt. Wat is seksualiteit, wanneer is iets 'seksueel' bedoeld? Waar begint seksualiteit, waar eindigt het? En wat wordt bedoeld met 'misbruik'?
Sommige mensen voelen zich altijd 'misbruikt', anderen lijken zich eindeloos te laten 'gebruiken' in allerlei opzichten, zonder dit als misbruik te ervaren. Vanwege de veelheid aan informatie die daarbij komt kijken, wordt ervoor gekozen om het begrip 'seksualiteit' niet los van 'misbruik' te bespreken. Het begrip 'seksueel misbruik' wordt breed opgevat, omdat het belangrijk is om aan te geven dat het bij seksueel misbruik om meer gaat dan om het seksuele aspect alleen, namelijk om de schade die op emotioneel gebied is/wordt aangericht en de gevolgen die vaak tekenend zijn voor de
rest van het leven. Eerst geven we een definitie van het begrip seksueel misbruik. De aard van seksueel misbruik wordt beschreven en er worden enkele cijfers gegeven zoals die beschreven staat in de literatuur. Er worden verschillende vormen van seksueel misbruik genoemd en in het kort wordt er ingegaan op mannelijke en vrouwelijke daders. Daarna volgt een paragraaf over van slachtoffer naar dader en wordt er ingegaan op pedofilie en seksueel misbruik en de christelijke identiteit en seksueel misbruik.
Wat is seksueel misbruik?
Het is niet zo eenvoudig om een definitie te geven van seksueel misbruik. Tijdens het lezen van de literatuur voor mijn scriptie constateerde ik dat de termen incest, seksueel geweld, seksuele kindermishandeling en seksueel misbruik veel door elkaar worden gebruikt. Dit kan leiden tot misverstanden en eindeloze discussies. De keuze van het
begrip en de definitie zijn echter van essentieel belang. Die keuze heeft namelijk een enorme invloed op (de resultaten van) allerlei onderzoeken die verricht worden. Blijkbaar gaat men ervan uit dat het begrip vanzelf duidelijk is en dat iedereen weet wat er mee bedoeld wordt. Alle definities van seksueel misbruik en aanverwante termen zijn cultuur- en tijdgebonden, omdat ze worden beïnvloed door de normen en waarden die op dat moment in een samenleving overheersen. Ik wil een aantal definities geven van seksueel misbruik, om vervolgens aan te geven wat ik onder seksueel misbruik
versta.
N. Draaijer geeft de volgende definitie van seksueel misbruik; zij stelt dat van seksueel misbruik sprake is 'als de seksuele contacten tegen de zin van het kind plaatsvinden, of als het deze contacten als gevolg van emotionele druk, vanzelfsprekend overwicht of dwang van de dader niet kan weigeren. Ook moet er sprake zijn van 'lichamelijk contact'. Niet alle seksuele contacten tussen
volwassene en kind zijn per definitie ongewenst of schadelijk. Om vast te kunnen stellen of er wel of geen sprake is van seksueel misbruik stelt Draaijer voor de volgende punten te hanteren: een negatieve emotionele beleving door het kind, de ongewenstheid en onvrijwilligheid van het contact vanuit het kind gezien en de macht of het overwicht van de volwassene.
· De Stichting Schouder Aan Schouder, opgericht voor seksueel misbruikte mannen, definieert seksueel misbruik als volgt: "Seksueel misbruik vindt plaats wanneer iemand onder valse voorwenselen wordt verleid,
gedwongen of overgehaald tot seksuele handelingen".
· Burt en Estep omschrijven vier criteria waaraan ervaringen van seksueel misbruik in de westerse samenleving moeten voldoen zodat een individu als slachtoffer wordt gezien, namelijk:
1. Slechts de ernstigere vormen van misbruik worden als misbruik beschouwd.
2. Slachtoffers moeten aannemelijk kunnen maken dat zij geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor het gebeurde;
3. Er moet sprake zijn van (enige mate van) fysieke beschadiging zoals in de vorm van verwondingen.
4. Er moet sprake zijn van (extreme) dwang.
Wat het eerste criterium betreft: er bestaat groot verschil van mening over wat nu 'ernstig' is of 'ernstiger'. Meestal is men geneigd om seksuele handelingen waarbij penetratie plaatsvindt als de meest ernstige te beschouwen. Wat betreft het tweede criterium blijkt dat de term 'verantwoordelijkheid' op vele manieren is in te vullen. De
misbruiksituatie is vaak zo gecompliceerd dat zeer moeilijk is aan te geven bij wie de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen ligt. Bij de laatste twee criteria kunnen ook vraagtekens gezet worden, want dwang en fysieke beschadigingen kunnen plaatsvinden, maar zijn niet noodzakelijk. Toch wordt dit vaak als bewijs gebruikt. Dan is er 'echt' sprake van seksueel misbruik.
Wyatt en Peters vinden na een uitgebreide studie vier punten waarop de door de verschillende auteurs gehanteerde definities van elkaar kunnen verschillen, namelijk;
1. De bovenste leeftijdsgrens; deze loopt vaak uiteen van 13 tot 18 jaar.
2. Criteria die bepalen of sprake is van seksueel misbruik; hier valt allereerst op hoe verschillend de definities zijn als het gaat om de exactheid van de omschrijving. Sommigen definities beschrijven precies welke ervaringen wel en niet onder
seksueel misbruik vallen, in andere definities blijven de criteria voor de gebeurtenis vaag. Een belangrijk criterium dat vaak gehanteerd wordt bij het definiëren van seksueel misbruik is 'consent' (instemming, vrijwilligheid). Dit tweede criterium heeft een aantal nadelen, namelijk een bepaalde ervaring kan ook van moment op moment van karakter veranderen. Wat begint als een aangename ervaring, of als iets 'onschuldigs' kan onverwacht overgaan in een onaangename, oncontroleerbare en soms ook pijnlijke en ingrijpende negatieve seksuele gebeurtenis. Ook het tegenovergestelde
kan gebeuren. De term 'consent' is in de praktijk complexer van betekenis dan hij lijkt. Een tweede moeilijkheid is het zogenaamde 'non-contact abuse'. Dit is misbruik zonder direct lichamelijk contact, zoals: exhibitionisme, het laten zien van pornografisch materiaal, voyeurisme; het begluren van een naakt kind en dergelijke. Dit bovenstaande maakt de bepaling of er sprake is van seksueel misbruik moeilijker.
3. Het al dan niet meetellen van ervaringen met leeftijdsgenoten; in veel definities wordt het criterium gebruikt dat de pleger minsten vijf jaar ouder moet zijn dan het slachtoffer.
4. Bepalingen voor ervaringen met seksueel misbruik tijdens de adolescentie; deze periode begint met de puberteit en kinderen groeien toe naar een volwassen seksualiteit. Dat betekent dat seksuele ervaringen niet per definitie als ongewenst,
gedwongen of te vroeg kunnen worden beschouwd. Er zijn dan andere criteria nodig om seksuele ervaringen als misbruik te kunnen noemen. In de definities worden daarvoor het meest gebruikt:(extreme) dwang, onvrijwilligheid, machtsongelijkheid, ernstig misbruik, lichamelijk geweld en fysieke verwonding.
Een definitie die in Nederland tot voor kort vaak gehanteerd werd is die van Wolters. Deze luidt: "Seksueel misbruik heeft betrekking op de seksuele handelingen tussen ouderen en kinderen, omdat er sprake is van een ongelijkwaardige relatie; de oudere een eenzijdige machtspositie heeft; de vrijheid en de keuzemogelijkheid van het kind beperkt zijn en het realiseren van de (subjectieve) seksuele verlangens van de ouderen een belangrijk motief
zijn". De discussie over de definiëring van seksueel misbruik is nog steeds in volle gang. Verschillende inzichten, normen, waarden en belangen spelen bij deze onenigheid een belangrijke rol. Ik sluit mij bij de definitie van N. Draaijer aan.
De aard van het seksueel misbruik bij jongens.
In de literatuur valt een groot scala aan seksuele handelingen te vinden die jongens bij misbruik meemaken. Dit varieert van het misbruik-zonder-lichamelijk-contact (non-contact-abuse), zoals begluren en/of fotograferen van een naakt kind, exhibitionisme, en dergelijke, via het betasten/strelen van de geslachtsdelen tot oraal en anaal contact. Het verschil met misbruik van meiden is dat meiden de seksuele handelingen vaak moeten ondergaan. Bij veel
vormen van misbruik bij jongens gaat het vaak niet alleen om het aanraken van de jongens door de pleger, maar ook om het de jongens verplichten de pleger aan te raken. Dit laatste kan voor de jongens erg verwarrend werken, omdat ze kunnen gaan denken zelf ook verantwoordelijk te zijn voor wat heeft plaatsgevonden. Tevens kunnen jongens fysiek opgewonden raken en een erectie en zaadlozing krijgen, zeker als het misbruik op een niet-gewelddadige manier plaatsvindt, wat veel verwarring kan opleveren. Met bovenstaande gegevens wil ik absoluut niet zeggen dat misbruik bij meiden minder
ingrijpend is, integendeel.
De omvang van het seksueel misbruik bij jongens.
In vergelijking met seksueel misbruik van meiden zijn er wat betreft de aard van de misbruiksituaties veel overeenkomsten. Het gaat vaak om een vertrouwenspersoon, iemand die status, sympathie en aanzien heeft bij jongens, bijvoorbeeld een goede vriend van zijn ouders, een leraar, een onderwijzer, een sportleraar/es, oom of tante. Toch zijn er een aantal verschillen in vergelijking met seksueel misbruik van meiden. Dat blijkt uit de volgende verschillen:
· het lijkt erop dat jongens vaker buiten het gezin misbruikt worden, vaker door een onderwijzer, jeugdleider, voetbaltrainer of door een hulpverlener dan door moeder, vader, oom of oudere broer.
· het lijkt erop dat het risico om misbruikt te worden afneemt als jongens ouder worden (adolescentie).
· veel misbruik van jongens vindt plaats door mannen, maar vrouwen kunnen net zo goed de pleger zijn. Op daders kom ik verderop in mijn scriptie terug.
De laatste jaren is meer over seksueel misbruik van kinderen gepubliceerd. Seksueel misbruik kan op alle leeftijden plaatsvinden. De leeftijd waarop jongens gemiddeld misbruikt worden, verschilt van onderzoek tot onderzoek. Verder zijn er verschillende onderzoeken gedaan naar aantallen van misbruik. Vaak gingen die onderzoeken over seksueel
misbruik van meiden. Sinds enkele jaren blijkt echter dat ook jongens het slachtoffer worden van seksueel misbruik.
Uit de weinige onderzoeken[ii]die in de Verenigde Staten en in Nederland gedaan zijn, blijkt dat het in ongeveer 1 op de 4 gevallen van seksueel misbruik om een jongen gaat; zo'n 20 tot 30% van de
totale groep slachtoffers is van het mannelijke geslacht. Wolters (1982) vond bij een groep slachtoffers 20% jongens; Porters (1986) stelde dat bij aangiften met betrekking tot kinderen het in 22% van de gevallen om jongens gaat. Dit zijn een aantal schattingen over het percentage jongens onder het totaal van alle seksueel misbruikte kinderen. De meeste studies over de omvang van seksueel misbruikte jongens en mannen zijn afkomstig uit de Verenigde Staten. Er zijn bij deze onderzoeken veel verschillende definities en operationalisaties van seksueel misbruik gebruikt. De Verenigde
Staten heeft een gevarieerde bevolkingssamenstelling, bijvoorbeeld de verschillende maatschappelijke en culturele normen en waarden, de mate van urbanisatie, verschil in sociaal economische status, enzovoort. De variatie in cijfers over omvang in de verschillende onderzoeken, die uit de V.S. komen, kan voor een gedeelte verklaard worden door deze verschillen. Uit een recent Nederlands onderzoek[iii] bleek dat 2 op de 10 mannelijke
patiënten van een gesloten afdeling van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis tijdens de jeugd seksueel misbruikt was.(Nicolai, 1990). Dat betekent dat één op de 5 à 7 mannelijke patiënten dit soort ervaringen heeft. Dit komt overeen met de Amerikaanse cijfers. Naast Amerikaanse en Nederlandse cijfers zijn er ook cijfers bekend uit Groot-Britannië, Canada en West Duitsland. Deze komen redelijk overeen met de Amerikaanse en Nederlandse onderzoeken. Ik merk aan de hand van verschillende onderzoeken in de literatuur, dat de cijfers erg uiteen lopen. Het ene onderzoek wijst uit
dat één op de vier mensen een jongen is, het andere onderzoek noemt één op de 20. Als je de laagste omvangcijfers neemt, die meestal de strengste definities hanteren, komt men nog altijd uit op zo'n 2% van de mannelijke bevolking. Dat zou betekenen dat er in Nederland ongeveer 140.000 jongens en mannen zijn die ervaring hebben met ernstige vormen van seksueel misbruik. Overeind blijft staan dat seksueel misbruik bij jongens en mannen een omvangrijk probleem blijkt te zijn en dat het veel vaker voorkomt dan vermoed wordt. Deze cijfers geven aan hoe moeilijk het is om te
achterhalen hoe vaak seksueel misbruik onder jongens voorkomt. Tevens maken deze cijfers duidelijk dat het laatste woord over omvang en aard van seksueel misbruik van jongens nog lang niet gezegd is. Daarbij zet ik mijn vraagtekens bij het feit dat de gemiddelde jeugdhulpverlener zelden met seksueel misbruik van jongens te maken krijgt.
Daders.
Mannelijke daders.
Het beeld van daders heeft een lange tijd verhinderd dat men zicht kreeg op de omvang en de aard van seksueel misbruik, met name binnen relaties en binnen het gezin. Voor zover men aandacht voor seksueel misbruik had, betrof het voornamelijk aanranding en verkrachting buitenshuis. Dat was de plek waar daders rondliepen. Dit is mijns inziens een
heel beperkt beeld van de werkelijkheid is. Zowel binnen- als buitenshuis worden jongens en meiden misbruikt. Van jongens is bekend dat het misbruik vaker buitenshuis plaatsvindt (zie paragraaf 3.4). Overigens moet hierbij niet uit het oog verloren worden dat over seksueel misbruik van jongens binnen het gezin nog bijzonder weinig bekend is. De daders zijn over het algemeen bekenden van het slachtoffer, dat geldt ook voor daders buiten het gezin. Jongens kunnen worden misbruikt door allerlei mensen waarmee op de een of andere manier een
relatie bestaat[iv]. Het stereotype beeld dat veel mensen hebben van daders is dat het gaat om gevaarlijke en gewelddadige mensen met ernstige psychische en sociale afwijkingen. Dit beeld gaat in de praktijk echter meestal niet op. Er zijn verschillende soorten daders. Er is geen vast omschreven profiel van 'de dader', hoewel de meeste daders wel te kampen hebben met problemen als een lage zelfwaardering, negatief zelfbeeld, slechte
controle over hun impulsen, alcohol- en/of drugs misbruik, onvoldoende sociale vaardigheden en emotionele onevenwichtigheid. Deze problemen zijn op zich niet kenmerkend voor daders van seksueel misbruik. Ook andere probleemgroepen vertonen deze kenmerken. Veel daders hebben een moeilijke jeugd gehad en komen uit gezinnen met veel problemen. De meeste daders komen op andere mensen over als 'normale mensen'. Daders worden vaak omschreven als 'een gewone nette man', 'een hooggeplaatste en zeer gerespecteerde man', 'de buurman', 'een neefje',
'een sadistische aan alcohol verslaafde vrouw', 'een eigen vader', etcetera. De omgeving van de dader reageert dan ook meestal met verbazing als het misbruik bekend wordt.
De vrouwelijke daders.
Op grond van sekse-stereotiepe opvattingen neemt men haast vanzelfsprekend aan dat jongens zelden slachtoffer en vrouwen zelden plegers zullen zijn van seksueel misbruik. Vrouwelijke plegers zijn er. Wij zullen aan dat idee moeten wennen. Zij kunnen de moeder zijn, de stiefmoeder, zus, nicht, oma, tante, lerares of de kinderoppas. Tot nu toe is er in Nederland nog bijzonder weinig bekend over seksueel misbruik door vrouwen. Wat overigens wel bekend is in de literatuur is dat van de oudere
vrouwen, 20% dader is.
Van slachtoffer naar dader.
Vanuit de achtergronden van de overlevingsstrategieën in paragraaf 4.4, is het voorstelbaar dat mannelijke slachtoffers op een gegeven moment overgaan tot plegergedrag. Misschien om het gebrek aan macht en controle te compenseren en af te reageren; misschien uit identificatie met de dader, misschien omdat een jongen of man zijn seksualiteit
uitsluitend met overmacht en geweld associeert en daarom voor hem alleen maar in een ongelijkwaardige machtssituatie plaats kan vinden. Vanuit dergelijke achtergronden kan een jongen, die seksueel misbruikt is, op zijn beurt seksueel intimiderend en agressief gedrag laten zien.
Hierbij wil ik wel een kanttekening plaatsen. Wanneer het gaat over daders of over mannelijke slachtoffers van seksueel geweld wordt al snel verondersteld dat deze twee alles met elkaar te maken hebben. Elke dader is in zijn jeugd misbruikt, elk mannelijk slachtoffer gaat later (zijn) kinderen misbruiken. Hierdoor dreigt een nieuwe 'mythe'
rond mannelijk slachtofferschap te ontstaan, die mijns inziens niet op de realiteit is gebaseerd. Voor deze mogelijke mythe zijn veel mannelijke slachtoffers 'bang'. Niet elke man met seksueel misbruik ervaringen gaat op een destructieve 'pleger'-manier om met macht en controle. Er zijn veel jongens en mannen die voor een tegengestelde strategie kiezen. Ik kan mij even goed voorstellen dat mannelijke slachtoffers geen dader willen worden, juist omdát ze weten hoe het is om vernederd te worden.
Robbert van de Luitgaarden, die ik geïnterviewd heb, zegt hierover: "Ik zou mezelf liever van kant maken, dan dat ik ooit een jongen zou misbruiken." Hij wilde niks meer met seks, macht en geweld te maken hebben. Hij denkt dat het meespeelt dat slachtoffers dader worden om te ervaren hoe het is om macht over een ander te hebben, om
het machtsmisbruik wat vroeger op hen werd uitgeoefend. Als ze dan iemand in hun macht krijgen is het niet moeilijk meer om slachtoffers te maken. Robbert kan zich iets bij dat gevoel van macht willen hebben voorstellen.
Pedofilie en seksueel misbruik.
Met het gegeven dat het erop lijkt dat jongens vaker buitenshuis en door een man worden misbruikt, kan gemakkelijk een relatie worden gelegd tussen pedofilie en seksueel misbruik. Pedofielen worden gezien als een belangrijke risicogroep voor jongens. In de Verenigde Staten[v]
rekent men pedofilie tot seksueel misbruik. Van een pedofiele relatie is sprake als een ouder iemand zich aangetrokken voelt tot kinderen, waarbij die gevoelens zich onderscheiden van 'liefde voor kinderen' in het algemeen, omdat er ook sprake kan zijn van seksuele aantrekkingskracht. Wolters is van mening dat pedofilie voor kinderen schadelijk is. Vanwege de grote risico's voor kinderen benadrukt hij vooral de machtsongelijkheid in de relatie tussen volwassene en kind. Ik vind ten eerste dat onderscheid gemaakt moet worden tussen pedofilie en pedoseksualiteit. Bij dit laatste gaat
het om seksuele contacten tussen kinderen en volwassenen, waarbij het kind door de volwassene onder druk wordt gezet, zonder dat er sprake is van een diepgaande gevoelsbinding met het kind. Ik vind dat niet zonder meer gesteld kan worden dat pedoseksualiteit per definitie voortkomt uit pedofilie. Er zullen ook op dit gebied uitzonderingen zijn. Wel denk ik dat in de meeste pedofiele relaties, het seksuele aspect uiteindelijk aan bod zal komen en in veel gevallen het doel van de opgebouwde vertrouwensrelatie met het kind en vaak zijn/haar familie. Pedofilie hoeft dus niet persé op
korte termijn schadelijk te zijn voor een kind, maar wanneer iemand met of zonder pedofiele gevoelens misbruik maakt van zijn overwicht of een kind op een andere manier tot het contact dwingt, is er in mijn ogen sprake van misbruik. Ik denk dat kinderen in veel gevallen de gevolgen van het aangaan van seksuele contacten met volwassenen voor hun eigen (seksuele) ontwikkeling moeilijk kunnen overzien. Verder vind ik dat in het belang van het kind we kritisch moeten blijven staan tegenover pedofilie. Zelf zie ik pedofilie als een risicogroep als het gaat om seksueel misbruik.
De christelijke identiteit en seksueel misbruik.
Omdat ik vind dat hulpverleners op de hoogte moeten zijn van problemen rondom seksueel misbruik op verschillende gebieden, wil ik het christelijk geloof kort aanhalen. Voor een slachtoffer van seksueel misbruik en een christelijke geloofsovertuiging kan het extra moeilijk zijn om dit probleem een plek te geven. Seksueel misbruik komt in alle kringen van de samenleving voor. In feite is de vraag waar het verschijnsel nu meer of minder voorkomt niet eens zo interessant. Helaas is het duidelijk geworden dat het ook in christelijke en kerkelijk meelevende gezinnen voorkomt.
Bepaalde bijbelse spreuken worden zo vervormd dat aan incest en andere vormen van seksueel misbruik een godsdienstige legitimatie gegeven wordt. Zo kan een bepaalde uitleg en een bepaald gebruik van christelijke teksten een van de oorzaken van het misbruik zijn en de verwerking van het seksueel misbruik extra moeilijk maken voor de slachtoffers.
DE GEVOLGEN EN EFFECTEN VAN SEKSUEEL MISBRUIK
Inleiding
Algemeen kan je stellen dat de gevolgen van seksueel misbruik voor jongens net zo ernstig zijn als voor meiden. Veel problemen die bij vrouwen en meiden samenhangen met seksueel misbruikervaringen zie je ook terug bij jongens en mannen. Het verschil zit meer in de wijze waarop jongens zich tegen het seksueel misbruik verweren. Of het nou om een
jongen of om een meisje gaat; bij seksueel misbruik gaat het om traumatische ervaringen van een kind. Het gaat om misbruik van mensen in verschillende leeftijdscategoriën, namelijk om peuters, kleuters, tieners en adolescententen, om een kind wiens vertrouwen in zichzelf en de wereld om hem of haar heen tot de kern bedreigd en beschadigd is. Dit gebeurt juist in een levensfase dat vertrouwen en eigenwaarde op een positieve wijze vorm hadden moeten krijgen. Het is een traumatische ervaring, die gevolgen heeft zowel op de korte als op de lange termijn. In paragraaf 4.2 wil ik enkele
algemene gevolgen noemen, die zowel voor jongens als voor meiden gelden. In paragraaf 4.3 wil ik specifieke gevolgen noemen die gelden voor jongens, zowel op korte, als op lange termijn. In paragraaf 4.4 wil ik overlevingsstrategieën noemen die jongens naar aanleiding van het misbruik kunnen hanteren en paragraaf 4.5 gaat over signalen van seksueel misbruikte jongens en omdat deze signalen veel overeenkomsten hebben met de korte- en lange termijn gevolgen en de overlevingsstrategieën, is het tegelijkertijd een korte samenvatting van allerlei signalen. In paragraaf 4.6 kun je
de samenvatting lezen van hoofdstuk 4.
Algemene gevolgen
Seksueel misbruik veroorzaakt fundamentele veranderingen in het leven van een kind. Mogelijkheden tot groei en ontwikkeling worden afgekapt en het kind krijgt er een hoop ellende voor terug. Lew[vi] beschrijft hoe een kind het misbruik beleeft en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit doet hij aan de hand van een aantal verlieservaringen van het kind.
1. De kindertijd en herinneringen daaraan
Seksueel misbruik levert pijn op. Een manier om die pijn voor te blijven, is trachten het zo snel mogelijk te vergeten. Slachtoffers ontkennen of verdringen bewust of onbewust de pijn uit hun herinnering, zelfs zo sterk dat ze zich later niets tot bijna niets herinneren van het misbruik. Het trieste daarvan is dat zij er vroeg of laat achter
komen dat zij geen kind hebben kunnen zijn. Die tijd kunnen zij niet meer inhalen en krijgen zij nooit meer terug.
2. Het eigen lichaam en de controle daarover
Elk kind verwacht koestering, liefde en intimiteit. Daardoor leert het zich waardevol te voelen en zelfvertrouwen te ontwikkelen. Seksueel misbruik valt voor het kind niet met deze verwachtingen te verenigen. Het lichaam van het kind wordt tegen de eigen wil afgepakt, het meest intieme is niet meer van hemzelf. Dit tast het gevoel van veiligheid
en vertrouwen fundamenteel aan. Niet alleen de omgeving wordt als bedreigend ervaren, maar ook het eigen lichaam als dat tijdens het misbruik opwinding vertoont.
3. De kans om te spelen en te leren
Elk kind wil spelen, spelen met anderen. Door spel leert het kind met andere mensen om te gaan, samen te werken, problemen op te lossen en ervaringen uit te wisselen. Door het misbruik durft het kind zich in het spel niet meer spontaan te geven. Vaak is alleen zijn de enige manier om zich veilig te voelen. Spel vraagt om spontaniteit,
creativiteit en activiteit. Voor veel slachtoffers is dit te bedreigend. Angst om de controle over de omgeving te verliezen overheerst, goede en fijne ervaringen opdoen wordt zo heel erg moeilijk.
Deze ervaringen geven aan hoe ingrijpend seksueel misbruik voor een kind is.
De specifieke gevolgen en effecten voor jongens:
Bij het beschrijven van de gevolgen van seksueel misbruik bij jongens is het een probleem dat daar nauwelijks informatie over beschikbaar is. In veel studies over seksueel misbruik worden jongens nauwelijks of niet genoemd[vii]. Als jongens wel genoemd worden, worden vaak geen verschillen aangegeven tussen de gevolgen voor jongens en voor meisjes.
Verder is het erg moeilijk om de klachten en gevolgen bij jongens vast te stellen, omdat die lang niet altijd zichtbaar zijn. Dat vormt een duidelijke beperking bij het onderzoek naar de invloed van jongens op korte termijn.
Korte termijn gevolgen
Onder 'korte termijn' wordt in de literatuur verstaan de periode tot uiterlijk twee jaar na de laatste misbruikervaring. De gevolgen voor jongens op korte termijn die genoemd worden in de literatuur zijn: angst, depressie, woede, vijandigheid, agressie, hulpeloosheid, machteloosheid, schuld, schaamte, frustratie, vernedering, het gevoel geen
echte jongen(man) meer te zijn, eenzaamheid, het walgen van zichzelf en van het eigen lichaam, nervositeit en geprikkeldheid. Ook komen nogal eens (psycho)somatische klachten naar voren zoals buik- en hoofdpijn, broekpoepen, bedplassen en slaapproblemen. De korte termijngevolgen van seksueel misbruik worden vaak beschreven vanuit de tegenstelling internaliserend en externaliserend gedrag. Internaliserend betekent dat de agressie en frustratie, als gevolg van het ervaren misbruik, naar binnen wordt gericht. Bij externaliseren worden agressie en frustratie naar buiten gericht (naar
andere mensen). Seksueel misbruikte jongens lijken zich meestal aan de ene, of aan de andere pool van deze tegenstelling te bevinden. Robbert, degene die ik geïnterviewd heb, omschrijft de gevolgen van het misbruik voor hem als volgt: "Ik droomde van mijn 21e verjaardag, de dag dat ik onafhankelijk was van hulpverleners en daarmee van het misbruik af was. Ik heb nog nooit zo'n mooi verjaardagskado gehad. Maar, vanaf toen moest ik ook aan mezelf gaan werken. Wat dit heel erg moeilijk maakte, was dat ik niet van mezelf hield. Nu, na tien jaar vind ik dit nog steeds erg moeilijk.
Ik verafschuwde mezelf en m'n lichaam en ik voelde me nutteloos en waardeloos. Dit is een groot gevolg van het misbruik. Dit gevolg uitte zich in automutilatie, het mezelf beschadigen, op dat moment niet als een teken van 'dood willen', maar als een schreeuw om hulp, aandacht. Bij dit alles kwamen gevolgen als slapeloosheid, machteloosheid, me vernederd voelen en in niemand meer vertrouwen te hebben, ook niet in mezelf. Gelukkig heb ik het vertrouwen in mezelf teruggewonnen. Dit komt met name door de stichting, waar ik bewijs wel iets waard te zijn en iets kan. Ik voel me weer
nuttig. Ik heb het negatieve weten om te zetten naar iets positiefs en eigenlijk ben ik best trots op mezelf. Maar anderen vertrouw ik nog steeds niet en ik denk ook niet dat dit terugkomt. Dit laatste gevolg uit zich weer in het aangaan van relaties. Omdat ik niemand vertrouw, is dit een erg moeilijk punt. Ook kan ik me niet geven en niet genieten op seksueel gebied. Al mijn relaties zijn tot nu toe mislukt."
Gevolgen op lange termijn
Onder 'langere termijn' wordt hier verstaan de periode die twee jaar na de laatste misbruikervaring begint. Een groot deel van de klachten komt overeen met de gevolgen op korte termijn. De klachten die vaak genoemd worden zijn depressiviteit en angst. Veel jongens voelen zich neerslachtig, machteloos, moedeloos en hulpeloos. Deze jongens komen
vaak passief over en hebben een zeer negatief zelfbeeld. Sommigen gedragen zich zelfdestructief en suïcidaal. Vaak worden ook fobische klachten of chronische angst genoemd. Verder wordt angst genoemd voor herhaling van het misbruik of voor seksueel contact en intieme relaties. Alcohol- en/of drugsmisbruik zijn eveneens vaak genoemde klachten. Zoals ik schreef in het hoofdstuk 2, komen jongens mede door hun socialisatie sneller in een isolement terecht. Dit isolement wordt vaak nog groter als sprake is (geweest) van seksueel misbruik. Door het gevoel er alleen voor staan en de
moeilijkheid om over hun gevoelens te praten versterkt dit isolement. Dit veroorzaakt grote eenzaamheid bij jongens. Een veelvoorkomende angst is de angst om homoseksueel te zijn of dat te zullen worden. Op dit laatste gevolg wil ik dieper ingaan: Wordt een jongen door een man misbruikt, dan ontstaat angst en verwarring omtrent de eigen seksuele oriëntatie. Het slachtoffer veronderstelt dat hij het seksueel misbruik niet heeft kunnen voorkomen omdat hijzelf een homoseksuele gerichtheid zou hebben. Elk gevoel van opwinding of fysiek genot
tijdens het misbruik kan dat idee alleen nog maar versterken. De verwarring bij de jongen mondt uit in de vraag :" Ben ik misbruikt omdat ik homo ben of ben ik homo omdat ik misbruikt ben ?" Het trieste gevolg daarvan is dat de jongen er nooit achter zal komen hoe de eigen seksuele oriëntatie zich ontwikkeld zou hebben als het misbruik niet was gebeurd. Bij jongens die door een man misbruikt zijn, worden homofobische gevoelens versterkt. Voor hen is intimiteit met andere mannen moeilijk te verdragen. Dat kan zo ver gaan dat zij elk contact met andere mannen vermijden, in
het bijzonder met homoseksuele mannen. Ook bij de gevolgen op langere termijn kan de onderverdeling gemaakt worden tussen internaliseerders en externaliseerders. De psychosomatische klachten gelden hier net als onder de korte termijn gevolgen. Tevens hebben veel seksueel misbruikte jongens grote moeite met sociale contacten. Sommigen leiden een geïsoleerd leven, terwijl anderen zich juist extreem afhankelijk opstellen en zich aan anderen vastklampen.
Het grote verschil in de gevolgen voor jongens en meisjes die seksueel misbruikt zijn wil ik heel kort noemen. Dit zit namelijk vooral in de wijze waarop zij zich proberen te herstellen van de verwarring die daarbij ontstaat. Deze verwarring staat direct in verband met de manier waarop jongens worden gesocialiseerd. De verwarring tekent zich af
op drie gebieden, namelijk:
a. macht en controle: het gevoel macht en controle te hebben over eigen lichaam en situatie.
b. seksualiteit en seksuele oriëntatie: het gevoel hebben de eigen seksualiteit en seksuele oriëntatie te kunnen ontwikkelen.
c. het hanteren van relaties: het gevoel hebben intiem met anderen te kunnen zijn[viii].
a. Macht en controle
Jongens steken veel energie in het ontkennen en minimaliseren van het seksueel misbruik om hun eigen manbeeld overeind te houden. Dit staat direct in verband met de eisen die de samenleving aan jongens stelt, hierover straks meer. Jongens voelen zich zwak en dom, omdat zij niet in staat zijn geweest zichzelf te beschermen, omdat ze het
misbruik niet hebben kunnen voorkomen of de gevolgen niet hebben overzien. Slachtofferschap veroorzaakt angst bij jongens, angst om afgewezen te worden of voor slappeling te worden uitgemaakt. Door dit gevoel van machteloosheid ontwikkelen veel jongens een negatief beeld van zichzelf. Dat negatieve zelfbeeld kan op verschillende manieren uitwerken. Zie de overlevingsstrategieën in paragraaf 4.4.
b. Seksualiteit en seksuele oriëntatie
De negatieve ervaring van seksueel misbruik veroorzaakt problemen voor de eigen seksualiteit en seksuele opwinding. Seksualiteit kan daarom bedreigend zijn. De maatschappelijke normen, waarden en eisen die aan jongens gesteld worden, spelen ook nu weer een rol. Denk bijvoorbeeld aan de mannelijkheidscoderingen in hoofdstuk 2; datgene wat jongens door hun socialisatie wordt opgelegd. Van jongens wordt verwacht dat ze zonder al te veel moeite hun problemen te boven komen en vooral dat ze hun
gevoelens in de hand hebben. Jongens blijken het nog veel moeilijker te vinden dan meiden om voor zichzelf of tegenover anderen toe te geven dat zij misbruikt zijn. Zoals ik in hoofdstuk twee vermeldde zijn aan seksueel misbruik van jongens een aantal specifieke stigma's verbonden. Als gemeenschappelijk kenmerk geldt: slachtofferschap 'botert' niet met mannelijkheid.
Andere stigma's omtrent jongens zijn:
'op een ouwe fiets moet je het leren', 'als de gelegenheid zich voordoet, ben je gek als je hem laat schieten', 'een erectie betekent dat je zin hebt', 'een echte vent laat zich niet dwingen tot iets', 'een echte man slaat van zich af'. Dit zijn normen die een 'gezonde Hollandse jongen meekrijgt, van zijn ouders, zijn vrienden, zijn favoriete
televisieprogramma's.Deze normen leveren veel verwarring en zelfverwijt op, wanneer hij seksueel misbruikt wordt. Die verwarring blijkt ook uit het eerder genoemde onderzoek van de Kindertelefoon[ix] : de meiden die bellen vertellen hun verhaal als: 'Mijn vader gaat met mij naar bed'; de jongens die bellen vertellen hun verhaal eerder als: 'Ik ga met mijn moeder naar bed en daar zit ik mee'.Verder wordt het voor seksueel misbruikte jongens moeilijk seksualiteit nog ooit als iets prettigs te beleven. De ervaring van slachtoffers is dat nabijheid en intimiteit vrijwel altijd worden gevolgd door seksuele handelingen. Het onderscheid tussen seksualiteit
en intimiteit is daardoor onduidelijk. Dat kan weer tot gevolg hebben dat relaties met mensen worden geseksualiseerd of dat ze op een dwangmatige manier in seksuele relaties worden omgezet, want dat is bekend terrein voor het slachtoffer.
c. Het hanteren van relaties
Behalve dat seksueel misbruik problemen veroorzaakt met de beheersing van het eigen leven en met de seksualiteit, werkt seksueel misbruik ook door in de wijze waarop mannen relaties leggen en onderhouden.
Bij voormalige mannelijke slachtoffers werd een onderzoek[x] gedaan.
Daarbij werden de volgende vormen bij mannen aangetroffen:
a. De rots
De man die zichzelf op een eiland heeft gezet. Niets lijkt hem te deren of te raken. Hij heeft wel relaties, maar zelden met een echt emotionele diepgang. Hij heeft er moeite mee de ander te vertrouwen.
b. Kom dichtbij, maar niet te dichtbij
De man die zichzelf voortdurend in bescherming neemt. Hij laat intimiteit mondjesmaat toe, maar is benauwd voor de negatieve gevolgen.
c. Zich vastklampen
De man die wanhopig op zoek is naar liefde en genegenheid en zich vastklampt aan anderen. Hij stelt zich erg afhankelijk op en heeft onrealistische verwachtingen van belangrijke personen uit zijn omgeving (vrouw, vrienden). Hij vraagt ook voortdurend op verhulde of onverhulde wijze aandacht. Hij heeft vaak het gevoel afgewezen te worden.
d. Niet beter verdienen
De man die zo verward is geraakt door het misbruik dat hij zichzelf schuldig is gaan voelen en denkt niet beter verdiend te hebben. Hij gelooft niet dat een goede relatie hem te deel zal vallen.
e. Geseksualiseerd
De man die intimiteit en seksualiteit verwart, zodat de neiging bestaat alle relaties te seksualiseren.
f. Macht en controle
De man die in relaties de baas wil spelen over anderen. Dit kan resulteren in mishandeling, maar hoeft niet. Het kan zich ook in mildere vormen uiten. Uiteraard zijn dit geen vormen die elkaar uitsluiten. Verschillende van deze voorbeelden kunnen in een persoon verenigd zijn. Deze vormen zijn zowel van invloed op de eigen beleving en
zelfwaardering als op het functioneren als kind en later als volwassene, met name in relaties met anderen maar ook op andere terreinen. Omdat seksueel misbruik diep ingrijpt in het leven van jongens, hanteren ze overlevingsreakties, ook wel genoemd overlevingsstrategieën. Deze wil ik in paragraaf 4.4 behandelen. Ik wijd hier een paragraaf aan, omdat ik de kennis over overlevingsstrategieën zeer belangrijk acht voor hulpverleners.
Overlevingsstrategieën
Het beeld overheerst dat slachtoffers van seksueel misbruik zich verweren door te vluchten, te schreeuwen, te slaan of te vechten. Daarbij wordt naar mijn idee vergeten dat kinderen meestal niet zo openlijk reageren. Gezien hun leeftijd hebben ze nog niet de kans gehad deze verzetsmogelijkheden te ontwikkelen. Ze zouden zich eerder klein
houden om aan de gevaren en spanning te ontsnappen. Dit hoeft niet voor ieder kind te gelden, maar in geval van ongelijkwaardige machtsverhoudingen gaat dit, denk ik, vaak op. Ondanks het niet letterlijk slaan en vechten, wordt er wel degelijk 'gevochten' door slachtoffers van seksueel misbruik. Er worden vaak heel wat pogingen ondernomen om aan het misbruik te ontkomen. Om niet iedere keer de vernedering, de hulpeloosheid en machteloosheid te moeten voelen die gepaard gaan met het misbruik hebben ze overlevingsstrategieën ontwikkeld. In verschillende strategieën van jongens om
het seksueel misbruik te overleven is een aantal van de traditionele mannelijkheidsnormen terug te vinden. Ik heb eerder al beargumenteerd dat slachtofferschap niet past in het beeld dat veel jongens zich van het manzijn hebben gevormd. Mannen horen immers sterk te zijn en horen zichzelf te kunnen beschermen. Deze gedachte in het oog houdend kunnen jongens denken dat ze gefaald hebben. Jongens kunnen gaat twijfelen aan hun manzijn en vragen zich voortdurend af waarom ze misbruikt zijn. Door het seksueel misbruik raken jongens verward over hun macht en hun mogelijkheden situaties te
kunnen beïnvloeden. Om aan deze gevoelens van machteloosheid te ontsnappen en om te overleven spreekt Jos van den Broek in zijn boek: "Er zijn geen namen voor"[xi] over verschillende rollen die mannelijke slachtoffers zich kunnen aanmeten.
Ik wil ze hier noemen, omdat ik ze van belang acht voor de hulpverlening:
a. De actieve en imponerende rol
Om aan het vernederende gevoel van het misbruik te ontkomen kunnen jongens hun mannelijkheid op verschillende manieren gaan bewijzen door:
· het vertonen van stoer en risicovol gedrag;
· druk en overproductief gedrag in werk en sport;
· letterlijk en figuurlijk voortdurend het hoogste woord voeren;
· het regelmatig overtreden van afspraken en regels op werk en school en uitproberen hoe ver men daarin kan gaan;
· intimiderend optreden; voortdurend de intelligente, en welbespraakte jongen uithangen;
· veel energie te steken in het overtuigen van anderen dat men zelf geen homo is;
· anderen te kleineren; beledigend en intolerant zijn;
· stil en dreigend aanwezig zijn;
· gewelddadig en seksueel gewelddadig optreden;
Omdat jongens geleerd wordt agressie en geweld als vanzelfsprekend te verduren en toe te passen, reageren mannelijke slachtoffers regelmatig hun machteloosheid en woede naar buiten af.(zie korte- en lange termijn gevolgen)
Tijdens mijn stage bij het JAB, herkende ik deze rol bij een mannelijke cliënt. Hij overschreeuwde zichzelf en vertoonde hierbij stoer en risicovol gedrag. Hij wekte de indruk ontzettend zeker te zijn van zichzelf en van 'veel' vrienden, maar tijdens doorvragen over dingen, bleek niets minder waar te zijn. Hij had juist erg veel moeite om
contacten te leggen, bleek later tijdens de hulpverlening.
b. De passieve en slachtofferrol
Door het seksueel misbruik kunnen jongens zich zo machteloos voelen dat ze denken dat voor jongens en mannen slechts twee rollen zijn weggelegd, namelijk die van slachtoffer en die van pleger. Ze weten hoe het is om slachtoffer te zijn en besluiten daarom bewust of onbewust anderen niet te misbruiken.
Het uitoefenen van macht staat voor hen gelijk aan misbruik en om te voorkomen dat ze pleger worden, schikken ze zich in wat hen onvermijdelijk lijkt: slachtoffer-zijn.
Hun kwaadheid en angst slaan naar binnen toe. Dit kan zich manifesteren door:
· zichzelf onzichtbaar te maken en/of weg te cijferen;
· voortdurend aandacht te vragen voor hoe het met hem gesteld is. Hij is bang afgewezen te worden en blijft daarom aan anderen kleven, die hem vervolgens om die reden afwijzen;
· zichzelf slecht verzorgen en geen aandacht te besteden aan lichaam en kleding. Ook door het eigen lichaam te verwaarlozen en zich vol te stoppen met voedsel en drinken, maar ook bijvoorbeeld door middel van alcohol, drugs en veelvuldig medicijngebruik.
Robbert, degene die ik geïnterviewd heb, herkent zich het meest in deze passieve rol; zijn kwaadheid slaat naar binnen toe. Het bijzondere vind ik dat hij al het negatieve wat hij heeft doorgemaakt kan omzetten in iets positiefs. Hij zet zich 100% in voor de stichting Schouder aan Schouder en heeft als doel: zoveel mogelijk jongens verder te
helpen die hetzelfde hebben doorgemaakt/doormaken als hij. Wat de stichting betreft stort hij zich op zijn werk, wat wordt vermeld onder de aktieve rol. Dit geeft tevens aan dat het niet of de ene rol of de andere rol is, maar dat iemand van verschillende rollen aspecten hanteert. Robbert ziet het 'leven voor de stichting' duidelijk als een overlevingsmechanisme. Wat soms een nadeel van deze keuze is, vindt hij dat hij er zo nog steeds iedere dag meebezig is. Ondanks dat staat hij 100% achter zijn keuze. Hij heeft zich een korte tijd na het misbruik op heel ander werk gestort,
milieuprojekten. Achteraf gezien zegt hij:
" Mijn houding was duidelijk 'doen alsof het er niet is' en 'gewoon' verder leven." Dit heeft hem niks opgelost, want zoals Robbert zelf zegt: "Je komt alles wat er gebeurd is iedere dag weer tegen, inclusief jezelf!"
c De beschermende rol
Door hun eigen ervaringen zien mannelijke slachtoffers andere kinderen voortdurend in gevaar verkeren. Onbewust trachten ze anderen in bescherming te nemen, een bescherming die ze zelf als kind hebben gemist. Veelal is de beschermende rol de enige manier geworden om zonder risico's dicht bij anderen te zijn. Ook dit kan zich op diverse manieren
uiten door:
· zich voortdurend verantwoordelijk te voelen voor anderen;
· zich overdreven behulpzaam op te stellen;
· zich te gedragen als wereldredder en verbeteraar;
· de gezellige, warme 'teddybeer' te zijn voor anderen, bijvoorbeeld door aandacht te geven en daar de leiding in te houden. Het voorkomt dat men zelf aandacht krijgt; binnen een helpend beroep zichzelf wegcijferen voortdurend bezig te zijn met de problemen van anderen.
Het kan gebeuren dat de neiging bestaat om deze gedragspatronen alleen te zien als negatieve eigenschappen van mannelijke slachtoffers en niet als manieren om het hoofd boven water te houden en te overleven. Jongens hebben deze patronen vaak al heel vroeg aangeleerd. Zij bleken een effectief middel om zichzelf een gevoel van macht en controle te geven over de eigen situatie. Maar deze overlevingsmechanismen hebben ook een aantal negatieve kanten. Wat eerst noodzakelijk was om te overleven en zich
staande houden blijkt op den duur voor een groot deel negatief te werken, zowel voor zichzelf als tegenover anderen. De mechanismen werken niet meer. Het zijn min of meer rigide gedragspatronen geworden, die altijd op dezelfde manier gebruikt worden. Bij elke spanningsvolle of problematische situatie worden ze opnieuw ingezet met alle negatieve consequenties van dien. Het probleem is dat heel veel mannelijke slachtoffers geen verband zien tussen hun eigen gedrag en het vroeger misbruik. Deze gedragspatronen werken naar het idee van de slachtoffers, een aantal passen namelijk binnen
het stereotiepe beeld van mannelijkheid. Dit maakt dat deze mechanismen niet snel opgegeven worden. Mannelijke slachtoffers hebben als kind veel verkeerde dingen geleerd over macht, mannelijkheid, seksualiteit en relaties. Om hun overlevingsstrategieën te kunnen opgeven moeten ze inzicht krijgen in hun misvattingen over zichzelf, hun relaties en hun omgeving. Ze moeten leren begrijpen wat het verband is tussen deze strategieën en het seksueel misbruik. En dan moeten ze ook nog de gelegenheid krijgen een nieuw en meer passend denken en gedrag aan te leren. Ik vind dat
hulpverleners goed op de hoogte moeten zijn van deze overlevingsstrategieën in het werken met seksueel misbruikte jongens. Ik kom hierop terug in hoofdstuk 6, waar ik aanbevelingen noem voor de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens.
De signalen van seksueel misbruik.
De genoemde gevolgen op korte- en lange termijn en de overlevingsstrategieën kunnen tevens beschouwd worden als signalen. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3 is de grens onduidelijk tussen gevolgen op korte- en lange termijn. Enkele signalen op korte termijn zijn: woede, angstig, slapeloosheid, dromen, depressief, zichzelf beschadigen (automulatie),
verslavingen, spijbelen van school, zichzelf slecht verzorgen, zichzelf niks waard vinden, moeite hebben met het leggen van contacten.
Enkele gevolgen op lange termijn zijn: passiviteit, negatief zelfbeeld, suïcide, verslavingen, fobische klachten, chronische angst voor bijvoorbeeld herhaling van het misbruik, of voor intieme relaties, eenzaamheid, etc.
De rollen, ook wel de 'overlevingsstrategieën' genoemd, kunnen in de hulpverlening herkend worden. Het kan zijn dat de actieve rol overheerst doordat jongens stoer en/of druk gedrag vertonen, of dat jongens juist heel rustig zijn en het erop lijkt alsof ze zichzelf onzichtbaar maken. Misschien is het juist de beschermende rol die ze laten
zien en lijken jongens signalen af te geven alsof ze de wereld gaan redden of nemen ze erg veel verantwoordelijkheid.
Ik wil bij deze signalen vermelden, dat op het moment dat bepaalde signalen herkend worden door hulpverleners, er niet gelijk sprake hoeft te zijn van seksueel misbruik. Het kan!
Tevens zeggen deze signalen niets over de wijze waarop aan seksueel misbruikte jongens hulp wordt verleend. De hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens behandel ik in hoofdstuk 5. Eerst wil ik in hoofdstuk 4 aan de hand van telefonische interviews met jeugdhulpverleningsinstellingen beschrijven hoe de huidige jeugdhulpverlening handelt
als het om seksueel misbruik bij jongens gaat.
De huidige jeugdhulpverlening
Inleiding
Aan de hand van een aantal steekproeven heb ik onderzoek gedaan naar de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens in de huidige ambulante hulpverlening. Met behulp van een opgestelde vragenlijst heb ik met verschillende instellingen telefonisch contact gehad, namelijk met zeven Jongeren Advies Centra, die je kunt lezen in paragraaf 5.2,
vier Algemeen Maatschappelijk Werk instellingen, beschreven in paragraaf 5.3 en twee RIAGG's beschreven in paragraaf 5.4. In paragraaf 5.5 geef ik een samenvatting naar aanleiding van de afgenomen interviews. De interviews zijn afgenomen met telkens één persoon van iedere instelling. Dit betekent dat de visie van de geïnterviewde met de antwoorden is verweven. Ik presenteer dit als de visie van de instelling. De interview vragen zijn te vinden in bijlage 1 achterin de scriptie. Bij de vraag of de instelling in aanraking komt met seksueel misbruikte jongens, zijn soms aantallen
of percentages vermeld. Bij de meeste instellingen waren de cijfers niet bekend en bij enkele konden de cijfers niet genoemd worden in verband met privacy redenen.
De Jongeren Advies Centra
Jongeren Advies Bureau Arnhem
Het JAB Arnhem heeft nooit met seksueel misbruik van jongens te maken gehad. Mocht dit ooit voorkomen, dan worden deze jongens doorverwezen naar of de Raad voor de Kinderbescherming, of naar Bureau Vertrouwensarts in Arnhem. Binnen het JAB Arnhem wordt gewerkt met intakeformulieren, waar geen enkele vraag opstaat omtrent seksueel misbruik. Het
ligt aan de werkers zelf of deze vraag gesteld wordt.
Er zijn binnen het JAB Arnhem geen gespecialiseerde werkers in dienst.
Jongeren Hulpverlening Centrum Zwolle
Het JHC heeft bijna nooit te maken met seksueel misbruik van jongens. Afgelopen jaar 4 à 5 jongens bij 600 aanmeldingen per jaar. De hulpverleners van het JHC verwijzen seksueel misbruikte jongens door naar de RIAGG. Binnen het JHC wordt gewerkt met intake-formulieren. Hier staat niet de vraag op of er sprake is (geweest) van seksueel misbruik.
Het ligt aan de werker of die vraag gesteld wordt. Er werken binnen het JHC Zwolle geen hulpverleners die gespecialiseerd zijn in seksueel misbruik. Om de drempel in de jeugdhulpverlening voor seksueel misbruikte jongens te verlagen, zou er volgens het JHC Zwolle meer gepubliceerd moeten worden omtrent de problematiek. Als voorbeeld wordt de reclamecampagne genoemd van postbus 51, tegen ongewenste intimiteiten op het werk. Er zouden meer spotjes kunnen worden getoond waarin het om jongens gaat. Verder zou er meer voorlichting op scholen gegeven kunnen worden. Ook is
vindplaatsgericht werken volgens het JHC erg belangrijk. Zo bereik je een doelgroep die de jeugdhulpverlening op dit moment misloopt.
Jongeren Advies Bureau- en begeleiding Centrum Groningen
Het JABC Groningen heeft zeer weinig te maken met seksueel misbruikte jongens; ongeveer 4 à 5 jongens op ongeveer 300 aanmeldingen per jaar. De hulpverleners van het JABC verlenen allen hulp aan seksueel misbruikte jongens. Binnen de instelling wordt wel met intakeprocedures gewerkt, maar niet met gestandaardiseerde intake-formulieren. De vraag naar vervelende ervaringen met seksueel misbruik staat niet op papier. De reden hiervoor is dat het probleem zich niet zo vaak voordoet. De hulpvraag
waarmee de jongens binnenkomen is vaak anders dan seksueel misbruik. Tijdens de hulpverlening komen allerlei aspecten aan de orde, onder andere: dagbezigheden, ouders en ook seksualiteit. Ook dit zijn geen gestandaardiseerde vragen. Alleen de grote lijn staat op papier. Als blijkt dat seksueel misbruik aan de orde is, dan vindt het JABC Groningen dat iedere hulpverlener binnen de instelling daar mee aan het werk moet kunnen, namelijk het is een onderdeel van de hulpverlening. Wat ze hierbij van groot belang vinden, is dat iedere hulpverlener goed op de hoogte moet zijn van de
socialisatie van jongens, signalen, en dergelijke, zodat seksueel misbruik beter herkend kan worden. Verder neemt het JABC, als seksueel misbruik naar voren komt in de hulpverlening, de hulpvraag van de jongens als uitgangspunt. Er wordt gekeken wat de jongens zelf willen met het seksueel misbruik probleem. Binnen de instelling werkt een hulpverlener die cursussen geeft over socialisatie van jongens en over waar op te letten bij seksueel misbruikte jongens in de hulpverlening. Om de drempel voor seksueel misbruikte jongens te verlagen in de jeugdhulpverlening vindt het JABC
Groningen dat in eerste instantie er in de maatschappij wat moet veranderen; de maatschappij legt jongens bepaalde normen en waarden op en bepaalt hoe hij moet zijn/worden. Op de hulpverlening stapt een jongen al helemaal niet snel, want dat is een vrouwenbedrijf. Goede hulpverlening houdt in dat een hulpverlener een goed inzicht heeft in socialisatieprocessen van jongens en meiden. Ook moet een hulpverlener zicht hebben op zijn of haar eigen socialisatie. Je moet hier zelf inzicht in hebben, daardoor kun jij je beter inleven in de jongere, in dit geval, en in zijn situatie.
Deze punten zullen misschien drempel verlagend werken voor jongens.
Jongeren Advies Bureau Rotterdam
Het JAB Rotterdam komt heel af en toe in aanraking met seksueel misbruikte jongens. Als jongens binnenkomen met de problematiek 'seksueel misbruik', dan kunnen alle jeugdhulpverleners binnen deze instelling hulp verlenen. Het JAB acht iedere maatschappelijk werker hiertoe in staat, tenzij ze goed signalen kunnen zien en/of herkennen. Alle hulpverleners horen op de hoogte te zijn wat betreft signalen van seksueel misbruikte jongens. Binnen dit JAB werkt een intake commissie die zich alleen bezig
houdt met de intake. Deze mensen werken met verschillende intake-formulieren. De vraag of er vervelende ervaringen rondom seksueel misbruik zijn (geweest) staat hier niet op. Er zijn binnen het JAB Rotterdam geen gespecialiseerde mensen in dienst wat seksueel misbruik betreft. Er is wel een tijd geweest dat er zittingen waren van verschillende seksueel-misbruik-zaken. Door middel van een netwerk, waar onder andere de RIAGG in zat, werden seksueel-misbruik-zaken besproken. Een hulpverlener van het JAB die ook in het netwerk zat, fungeerde als aanspreekpunt voor vragen rondom
seksueel misbruik zaken voor de rest van het JAB Rotterdam. Op dit moment functioneerde het netwerk om onduidelijke redenen niet meer. Om de drempel voor seksueel misbruikte jongens te verlagen in de jeugdhulpverlening moeten de hulpverleners in beweging blijven volgens het JAB Rotterdam. Dit houdt in dat alle hulpverleningsinstanties hun hulpaanbod moeten afstemmen op de problematiek seksueel misbruik. In de media krijgt de problematiek steeds meer aandacht. Hulpverleners noeten met deze problematiek bezig blijven, anders houdt dat een beperking in van je beroep. Verder moet de
maatschappij veranderen. De maatschappij moet meer open staan en begrip tonen voor deze jongens. Verder moet volgens het JAB Rotterdam, op de intake-formulieren standaard de vraag worden vermeld en gevraagd of er sprake is van seksueel misbruik. Deze vraag zou gesteld moeten worden als een 'normale' vraag, net als bijvoorbeeld de vraag hoe de band met ouders is.
Jongeren Advies Bureau Spijkenisse
Het JAB Spijkenisse heeft naar aanleiding van een grote seksueel misbruik zaak, die aan het begin van dit jaar gespeeld heeft, twee seksueel misbruikte jongens in de hulpverlening. Bij deze zaak waren vier jongens betrokken. Nadat de zaak in de publiciteit kwam, zochten alle vier de jongens hulp. Twee van hen krijgen hulp van het JAB
Spijkenisse en twee jongens zijn overgedragen naar de RIAGG. Vorig jaar was het aantal seksueel misbruikte jongens ongeveer 7 jongens. Alle hulpverleners van het JAB verlenen hulp aan seksueel misbruikte jongens. Het JAB is aangesloten bij een samenwerkingsverband tegen seksueel geweld, waarvan de RIAGG de coördinatie heeft. Zodoende is er regelmatig overleg over deze problematiek. Het JAB ervaart veel gedragsproblemen bij seksueel misbruik slachtoffers. Dit vereist intensievere behandeling. Hierbij wordt door de RIAGG Rotterdam
advies gegeven bij het begeleiden van de jongens. Bij de RIAGG Rotterdam draait al jaren een project voor seksueel misbruikte jongens en meiden. Hierover straks meer in hoofdstuk 6. Binnen het JAB Spijkenisse wordt niet gewerkt met intake-formulieren, wel met algemene formulieren. Hierop staat niet de vraag of er sprake is van nare ervaringen met seksueel misbruik. De vraag wordt gesteld of er eventuele problemen of opmerkingen zijn. Hieronder valt tevens de vraag naar seksueel misbruik. Er werken bij het JAB geen gespecialiseerde mensen wat betreft seksueel misbruik. Om de drempel
in de jeugdhulpverlening te verlagen voor seksueel misbruikte jongens moeten volgens het JAB Spijkenisse, hulpverleners signalen van jongens goed op kunnen pikken. Verder zou het goed zijn om aan docenten op scholen voorlichting te geven. Hoe ze signalen op kunnen herkennen en eventueel een ondersteunend gesprek kunnen voeren.
Jongeren Advies Bureau Cuijk
Het JAB Cuijk komt erg weinig met seksueel misbruikte jongens in aanraking. In de zaken die zich voorgedaan hebben waren de jongens 18/19 jaar. Het misbruik had in die gevallen eerder plaatsgevonden. De hulpverleners van het JAB verlenen in bepaalde situaties hulp aan seksueel misbruikte jongens, namelijk: als het misbruik in het verleden heeft plaatsgevonden en er is bijvoorbeeld sprake van onverwerkte woede, dan wordt doorverwezen naar de RIAGG. Speelt de problematiek in het hier-en-nu en
kunnen de jongens niet meer goed functioneren in het dagelijks leven, bv. moeilijk contacten kunnen leggen, dan gaat het JAB hier zelf mee aan de slag. Verder wordt er gewerkt met intake-formulieren. Daar staat niet de vraag op of er sprake is van seksueel misbruik, maar of er sprake is (geweest) van nare ervaringen met seksualiteit. Hier is voor gekozen omdat de vraag naar 'nare ervaringen' breder is en daarmee meerdere mogelijkheden biedt. Deze vraag wordt zowel aan jongens als meiden gesteld. Binnen de instelling zijn geen mensen in dienst die gespecialiseerd zijn in seksueel
misbruik. Iedere werker verleent hulp aan seksueel misbruikte jongens. Om de drempel in de jeugdhulpverlening te verlagen voor seksueel misbruikte jongens, moet volgens het JAB Cuijk de verandering voornamelijk zitten in de intakeformulieren; de vraagstelling zou veranderd moeten worden, namelijk de vraag: "wanneer de eerste seksuele ervaring plaatsvond", in plaats van of er sprake is (geweest) met seksueel misbruik. Deze vraag zou zowel aan jongens als aan meiden gesteld worden. Verder wordt van belang geacht dat hulpverleners zich bewust zijn op wat voor manier
hij/zij zelf in het gesprek zit. Een open houding is heel belangrijk en er moet open over seksualiteit gesproken durven worden. Naar aanleiding van een studiedag over seksueel misbruik van jongens was naar voren gekomen dat jongens het seksueel misbruik vaak niet ervaren als seksueel misbruik. Dit had vooral te maken met het feit dat jongens zich vaak zelf verantwoordelijk voelen voor hetgeen met hen gebeurd is. Zij hebben er zelf aan meegewerkt en daarom voelen ze zich eerder schuldig, dan misbruikt. De conclusie van het JAB Cuijk is dat er zeker wat in de hulpverleningswereld
moet veranderen.
Algemeen Maatschappelijk Werk Zoetermeer
Het AMW in Zoetermeer komt af en toe met seksueel misbruikte jongens in aanraking. De aantallen worden niet geregistreerd en konden daarom niet aangegeven worden. Als de werkers van het AMW met deze jongens in aanraking komen, worden ze geholpen door gespecialiseerde werkers binnen het AMW, namelijk twee hulpverleners die door middel van cursussen en studiemiddagen e.d. zich gespecialiseerd hebben in seksueel misbruik. Eén werker is gespecialiseerd in seksueel misbruik van meiden en één in
seksueel misbruik bij jongens. Daarnaast vindt het AMW dat het van belang is dat de rest van de werkers zich door middel van cursussen en congressen verdiept in de problematiek, omdat iedere werker in staat moet zijn om deze jongens hulp te verlenen. Er wordt doorverwezen naar Transact[xii] als er sprake is van psychiatrische stoornissen bij seksueel misbruikte jongens. Binnen het AMW Zoetermeer wordt gewerkt met intake-formulieren,
waar niet een vraag omtrent seksueel misbruik op staat. Wel wordt die vraag standaard gesteld door de gespecialiseerde werkers. Het ligt dus aan de werker zelf of de vraag gesteld wordt of niet. Om de drempel in de jeugdhulpverlening te verlagen voor seksueel misbruikte jongens, vindt het AMW het belangrijk dat er meer gepubliceerd wordt over seksueel misbruik bij jongens. Dit zou moeten gebeuren door onder andere folders in wachtkamers, posters en tijdschriften waaruit opgemaakt kan worden dat het ook jongens kan overkomen. Verder zou het goed zijn dat er mannelijke hulpverleners
zijn die zich bezighouden met seksespecifiek werken, dus met mannenhulpverlening.
Algemeen Maatschappelijk Werk Heerenveen
Het AMW Heerenveen komt af en toe in aanraking met seksueel misbruikte jongens. Het ligt dan aan de hulpvraag van de jongens wie hulp gaat verlenen. Als het bijvoorbeeld gaat om het willen leren leggen van contacten, kan het AMW hierbij helpen; gaat het om het verwerken van het misbruik, dan wordt doorverwezen naar onder andere de RIAGG. Het AMW werkt met intake-formulieren. Hier staat de vraag op of er trauma's uit het verleden zijn. Hier valt seksueel
misbruik ook onder. Er werken binnen het AMW geen mensen die gespecialiseerd zijn in seksueel misbruik. Wel werkt er binnen het AMW iemand die zich bezig houdt met seksuele kindermishandeling, in geval van vermoedens van mishandeling. Om de drempel in de jeugdhulpverlening te verlagen voor seksueel misbruikte jongens zou er meer kennis over het onderwerp moeten komen. Seksueel misbruik bij meiden/vrouwen is meer bekend en erkend onder hulpverleners, omdat men daar veel meer mee in aanraking komt. Door middel van scholing zou er onder hulpverleners meer kennis moeten komen omtrent
jongens. Je kunt dan als instelling een beter hulpaanbod doen en waarschijnlijk beter vragen stellen bij bijvoorbeeld vermoedens van misbruik. Wel denkt het AMW Heerenveen dat er binnen de hulpverlening steeds meer aandacht wordt besteed aan seksueel misbruik van jongens.
Algemeen Maatschappelijk Werk Beilen
Het AMW Beilen komt regelmatig in aanraking met seksueel misbruik bij jongens. Aangezien binnen het AMW Beilen gespecialiseerde mensen werken op seksueel misbruik gebied, worden deze jongens door hen geholpen. Tijdens de intake wordt de vraag gesteld of er nare ervaringen zijn (geweest) op seksueel gebied. Daarbij vindt het AMW dat bij jongens die vraag anders geformuleerd zou moeten worden; wat voorzichtiger, misschien alleen nare ervaringen, wat natuurlijk erg breed is, of naar aanleiding van
informatie over het onderwerp. Dit vanwege de reden dat jongens over het algemeen moeilijker praten over seksualiteit en dan met name misbruik, dan meiden. Het AMW Beilen vindt dat de drempel in de jeugdhulpverlening verlaagd kan worden, door meer voorlichting te geven op scholen en dan zowel aan leerlingen als aan docenten. Docenten moeten ook signalen kunnen herkennen en bij vermoedens van seksueel misbruik of natuurlijk andere eventuele problemen, de leerling apart kunnen nemen. De geïnterviewde hulpverlener heeft onlangs een groep voor seksueel misbruikte mannen gedraaid. Hierover meer in hoofdstuk 6, waar onder andere beschreven wordt welke vormen van hulpverlening er op dit moment zijn.
Algemeen Maatschappelijk werk Amsterdam
Het AMW Amsterdam komt af en toe in aanraking met seksueel misbruik van jongens. Op dat moment is het van belang wat de hulpvraag van de jongens is. Als dat een hulpvraag is met betrekking tot het functioneren in het dagelijks leven, het hier en nu, dan verleent het AMW zelf de hulp, gaat het om het verwerken van het misbruik, dan wordt doorverwezen naar Transact voor verdere hulpverlening. Binnen het AMW Amsterdam wordt gewerkt met standaard intake-formulieren, waar de vraag op staat vermeld of er
sprake is (geweest) van seksueel misbruik. Deze vraag wordt zowel aan jongens als aan meiden gesteld. Verder werken er binnen de instelling geen gespecialiseerde mensen wat betreft seksueel misbruik. Om de drempel in de jeugdhulpverlening voor seksueel misbruikte jongens te verlagen, zou er volgens het AMW Amsterdam meer openheid moeten komen rondom de problematiek. Hulpverleners kunnen hieraan meewerken door standaard de vraag omtrent seksueel misbruik te stellen tijdens de intake.
De Regionale Instellingen Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG's)
Gereformeerde Landelijke Instelling Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (GLIAGG)
De GLIAGG komt in aanraking met seksueel misbruikte jongens. Het gaat dan over een gering percentage. Het precieze aantal is niet bekend. In elk geval is het percentage lager dan de seksueel misbruikte meiden. Dit wijdt de GLIAGG onder andere aan het taboe dat nog steeds op de problematiek ligt. Jongens moeten zich kunnen verweren, dus tijdens het misbruik ook. De jongens worden aangemeld bij de GLIAGG door ouders, scholen. De hulpverleners van de GLIAGG verlenen zelf hulp aan seksueel misbruikte jongens. In principe verleent elke hulpverlener binnen de GLIAGG hulp aan seksueel misbruikte jongens. Wel zijn er aandachtsfunctionarissen in dienst die zich enigszins gespecialiseerd hebben in seksueel misbruik. Om de drempel in de jeugdhulpverlening te verlagen voor seksueel misbruikte jongens, vindt de GLIAGG dat er in de maatschappij wat moet veranderen. Jongens krijgen tijdens hun socialisatie mee dat ze onder andere sterk
moeten zijn. Ook de samenleving heeft hier volgens de GLIAGG een aandeel in. De maatschappij moet accepteren dat seksueel misbruik ook jongens kan overkomen en hier meer voor open staan, zodat de kans groter is dat jongens hiermee naar buiten komen en hulp gaan zoeken. Verder zou er meer gepubliceerd moeten worden over deze problematiek. Het GLIAGG denkt bijvoorbeeld aan voorlichtingsavonden op scholen voor ouders en docenten. Door hulpverleners moet, als de gelegenheid zich voor doet, het feit genoemd worden dat ook jongens misbruikt kunnen worden. Dit om aan te geven dát het
voorkomt.
Regionale Instelling Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) Rotterdam
De RIAGG in Rotterdam komt regelmatig met seksueel misbruikte jongens in aanraking.
De jongens worden geholpen door gespecialiseerde hulpverleners van het SOEM-project (zie hieronder). Met gebruik van intakelijsten wordt de vraag gesteld of er sprake is van seksueel misbruik. In Rotterdam draait al ongeveer 10 jaar een SOEM-project. SOEM staat voor Seksuele Onderdrukking En Misbruik. Omstreeks 1987 is het project gestart met een SOEM-telefoonlijn om telefonisch hulp te verlenen aan seksueel misbruikte meiden. Ze konden op deze manier anoniem blijven. Naast telefonische hulp werd
binnen het SOEM-project ook ambulante hulp verleend aan meiden. Sinds 4 jaar wordt ook door jongens van deze lijn gebruikt gemaakt. Alle, in seksueel misbruik gespecialiseerde werkers van het SOEM-project doen aan diagnostiek, behandeling en consult. Andere hulpverleningsinstellingen kunnen hier onder andere consult vragen. Om de drempel in de jeugdhulpverlening voor seksueel misbruikte jongens te verlagen vindt de RIAGG Rotterdam dat hulpverleners de vraag standaard moeten stellen omtrent seksueel misbruik. Dit zou tijdens de intake moeten gebeuren. Als de hulpverlener dit niet
doet zal een jongen nog minder snel met zijn probleem komen. Daarbij speelt dan ook weer de moeilijkheid voor jongens om hun gevoel te uiten. Meiden doen dit toch makkelijker, wat het hulp zoeken voor hen vergemakkelijkt. Een ander punt is dat hulpverleners open over seksualiteit moeten kunnen praten, volgens de RIAGG Rotterdam. Verder lijkt het ze goed om meer groepsbehandeling aan seksueel misbruikte jongens/mannen aan te bieden, maar daarnaast wordt de opmerking geplaatst dat door drukte en tijdgebrek dit heel moeilijk realiseerbaar is.
AANBEVELINGEN VOOR DE JEUGDHULPVERLENING
Inleiding
Het valt niet meer te ontkennen dat ook jongens slachtoffer zijn van seksueel misbruik. Zo langzamerhand komen hulpverleners steeds vaker met jongens en ook mannen in aanraking die seksueel misbruikt zijn. Men krijgt als hulpverlener veel te horen over gebeurtenissen en ervaringen. Als jongens, op wat voor manier dan ook hulp willen, moet men
hiermee aan de slag. Wat is daarvoor nodig? In dit hoofdstuk wil ik mijn visie geven op de problematiek. Tevens wil ik een aantal aanbevelingen noemen, die ik belangrijk acht in de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens. In paragraaf 6.2 zal ik mijn visie weergeven over de kennis, houding en vaardigheden van hulpverleners. Vervolgens wil ik in paragraaf 6.3 aanbevelingen doen voor de intake, de beginfase van de hulpverlening en in paragraaf 6.4 zullen aspecten genoemd worden die tijdens de hulpverlening van belang zijn. Paragraaf 6.5 zal gaan over veranderingen in de
maatschappij. In paragraaf 6.6 worden bestaande hulpverleningsvormen genoemd voor seksueel misbruikte jongens en mannen. Deze hulpverleningsvormen komen naar voren in het boek 'Bij stukjes en beetjes' van de Utrechtse psychologe Sietske Dijkstra. Zij heeft onderzoek gedaan naar de beleving van het seksueel misbruik onder jongens en mannen en welke gevolgen zij hiervan ondervinden. In haar boek bespreekt ze de ervaringen van vijftien slachtoffers. Met de informatie uit het boek kan de hulpverlening methodes voor sekse-specifieke behandeling ontwikkelen. In deze paragraaf wil ik
verschillende methodes noemen, waarna ik de hulpverleningsvormen eruit zal lichten waar positieve ervaringen mee zijn opgedaan. Ondanks het feit dat het over mannen gaat vind ik dit belangrijke informatie. De meeste mannen gaan op latere leeftijd aan het werk met hun seksueel misbruik probleem. Hierdoor is er meer bekend over de hulpverlening aan mannen. Daarnaast probeer ik een beeld te schetsen van het hulpverleningsaanbod voor slachtoffers van seksueel misbruik.
Tot slot volgt in paragraaf 6.7 de samenvatting van hoofdstuk 6.
In bijlage 2 vind je een vragenlijst die gehanteerd wordt door de stichting Schouder aan Schouder, die een telefonische hulplijn voor seksueel misbruikte jongens hebben. Misschien kunnen hulpverleners daar gebruik van maken.
Kennis, houding en vaardigheden van hulpverleners
Om op een effectieve manier hulp te verlenen aan seksueel misbruikte jongens moeten hulpverleners naar mijn idee aan een aantal belangrijke aspecten voldoen op het gebied van kennis, houding en vaardigheden.
Kennis
· Hulpverleners moeten kennis hebben van die houdingen en gedragingen van jongens die mogelijkerwijs naar seksueel misbruik kunnen verwijzen. Daarvoor is het allereerst nodig dat ze weten dat seksueel misbruik onder jongens voorkomt en wat het inhoudt om als man misbruikt te zijn. Dit betekent een goed inzicht in de problematiek; de betekenis van het misbruik voor jongens, weet hebben wat jongens moeten doormaken en hoe zij omgaan met hun ervaring van seksueel misbruik.
· Seksueel misbruik is een traumatische ervaring. Daarom vind ik het noodzakelijk dat hulpverleners kennis hebben van traumatisering en specifieke kennis over de gevolgen van seksueel misbruik hebben. Ze moeten weten wat voor impact het misbruik heeft op slachtoffers.
· Hulpverleners moeten kennis hebben van socialisatieprocessen in het algemeen en gezien mijn scriptieonderwerp met name socialisatie van jongens. Dit houdt in dat ze weten wat socialisatie inhoudt, dat het meer is dan opvoeding alleen en wat voor invloed socialisatie op jongens heeft.
Ook moeten ze weten dat jongens door hun socialisatie een bepaald beeld hebben gekregen van zichzelf en hun man-zijn wat zeer bepalend is voor de manier waarop ze hun seksueel misbruik ervaring beleven en ervaren. In de praktijk moet dit uitgelegd kunnen worden aan jongens.
Naast algemene socialisatieprocesen en hoe dat voor jongens is, moet een hulpverlener kennis hebben van zijn/haar eigen socialisatie; hoe dit proces verlopen is en hoe dat zijn manier van denken, voelen en handelen heeft beïnvloed.
Houding
· Omdat het lastig is voor jongens om te accepteren dat ze slachtoffer zijn, kunnen ze de neiging vertonen om in gesprekken het seksueel misbruik te bagatelliseren; te doen alsof het niks voorstelt. Jongens kunnen hun best doen om de mannelijke identiteit in stand te houden, ook in het hulpverleningscontact. Hulpverleners hebben zelf ongetwijfeld opvattingen over mannelijkheid. Ik vind dat rekening gehouden moet worden met het idee dat de opvattingen van hulpverleners over mannelijkheid kunnen doorwerken in de hulpverlening. Bijvoorbeeld als hulpverleners zelf de opvatting hebben dat jongens flink moeten zijn, initiatief horen
te nemen en/of van zich af moeten kunnen slaan, dan zal dat door seksueel misbruikte jongens gevoeld kunnen worden. Dit komt deze jongens en de hulpverlening niet ten goede.
· Een betrokken en positieve houding houdt tevens in dat er ook grenzen worden gesteld als het gedrag negatieve consequenties heeft voor anderen. Het gedrag kan dan wel verklaard worden vanuit de traumatische ervaring, maar dit kan volgens mij nooit een legitimering inhouden van agressiviteit, gewelddadigheid, en dergelijke.
Vaardigheden
· Hulpverleners moeten zich tevens realiseren dat seksueel misbruik van jongens confronterend kan werken met de eigen opvattingen en vooroordelen over seksualiteit en seksueel misbruik van hulpverleners. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat men gaat twijfelen bij bepaalde verhalen van slachtoffers, uit angst of woede om hetgeen verteld wordt. Het lijkt mij goed dat hulpverleners attent zijn op deze gevoelens en onderzoeken wat daarvan te maken heeft met hun eigen opvattingen over mannelijkheid, vrouwelijkheid en seksualiteit.
· Hulpverleners moeten in staat zijn signalen, gevolgen en overlevingsstrategieën te zien en te benoemen.
· Zoals ik al eerder in mijn scriptie heb vermeld, voelen slachtoffers van seksueel misbruik zich verward over hun ervaring en vaak medeschuldig aan het misbruik. Om aan gevoelens van machteloosheid te kunnen ontsnappen hanteren jongens gedragingen c.q. strategieën waarmee ze proberen deze traumatische ervaring achter zich te laten. Wanneer hulpverleners mannelijke slachtoffers adequaat willen ondersteunen, dan moeten ze een goed inzicht hebben in de betekenis van het misbruik en veel gedrag van jongens kunnen zien als een aangeleerde
manier van overleven. Ook moeten hulpverleners uit de houding en het gedrag van jongens kunnen herkennen welke overlevingsstrategieën jongens toepassen. Hiervoor is de bovenstaande kennis over overlevingsstrategieën van belang. Veel gedrag van jongens is een aangeleerde manier om te overleven. Het is van belang met de jongens samen uit te zoeken wat daar anders in moet. Het gaat dan om het duidelijk maken van het verband tussen zijn houding, gedrag en het seksueel misbruik. Dit eist betrokkenheid en affiniteit met de jongens.
· Ik vind dat hulpverleners van zichzelf horen te weten waar hun sterke- en minder sterke kanten liggen: waar ben ik goed in, wat moet ik nog leren? Op zo'n manier blijft er een stimulans om te leren en kritisch te kijken naar eigen functioneren. Ook blijven hulpverleners zicht houden op hun eigen kwaliteiten en op die van collega's.
· Hulpverleners moeten inzicht hebben in het belang van actief vragen naar gebeurtenissen rondom het misbruik en moeten dit ook kunnen toepassen. Het doorvragen naar dingen die gebeurden tijdens het misbruik is van groot belang. Voor een jongen is het erg moeilijk en pijnlijk als hijzelf moet vertellen wat er gebeurd is. De hulpverlener zal de jongens hierin tegemoet moeten treden door zelf bijvoorbeeld de seksuele handelingen te benoemen. Een jongen kan dan met ja of nee antwoorden. Bovendien geeft de hulpverlener door dingen te
benoemen aan dát er over gepraat kan worden, die openheid over het onderwerp seksualiteit, zal het voor jongens ook makkelijker maken om er over te praten.
Bij seksueel misbruik is sprake van overschrijden van grenzen bij mensen. Het tast het gevoel van veiligheid en vertrouwen aan. Het vertrouwen in anderen is fundamenteel geschaad en men heeft het gevoel personen en situaties niet te kunnen beïnvloeden. Dit betekent dat veiligheid en vertrouwen opnieuw geleerd moet worden in de hulpverlening. Op
grond hiervan moet de hulpverlener duidelijkheid scheppen in datgene wat er plaats vindt in het contact en wat niet. Kortom: veiligheid en oefenruimte creëren door structuur aan te brengen. Voor de hulpverlening betekent dit dat de hulpverlener in staat moet zijn een heldere structuur te scheppen in de hulpverleningsgesprekken. Concreet houdt dit in dat de hulpverlener initiatief durft te nemen, het onderwerp aan de orde durft te stellen, de richting van de hulpverlening kan vasthouden, de tijd kan structureren en de gesprekken kan samenvatten, etcetera. Dit alles staat model voor
hoe een hulpverlening aan slachtoffers eruit zou kunnen zien. Omdat seksueel misbruik met grensoverschrijding te maken heeft, dienen hulpverleners extra rekening te houden met de grenzen van de jongens, maar ook met eigen grenzen en die van de instelling.
De intake
Ik vind dat het absolute aanbeveling verdient de vraag naar seksueel misbruikervaringen op te nemen in een standaard intake-formulier. Net zoals allerlei andere vragen, moet ook de vraag naar eventuele nare seksuele ervaringen gesteld worden. De manier waarop die vraag gesteld wordt is een ander verhaal, maar dát hij gesteld moet worden is
zeker. Het gaat er mijns inziens om hoe de vraag naar seksueel misbruik tijdens de intake gebracht wordt. Uit eigen ervaring ben ik van mening dat veel hulpverleners deze kwesties moeilijker maken dan het in feite is. Wat ik in mijn stage bij het JAB heb geleerd, bij het vragen naar seksueel misbruik, is dat hulpverleners, voordat ze beginnen met de intake kunnen uitleggen dat deze vraag aan álle cliënten gesteld wordt, omdat ervaringen met seksueel misbruik helaas veel voorkomen en omdat ze een belangrijke rol kunnen spelen in de problematiek van jongens en meiden. Bij de
vraag wanneer een vraag naar nare seksuele ervaringen gesteld zou moeten worden, lijkt het me handig om deze niet direct in het begin van de intake te stellen. Dit om een opbouw in het gesprek te krijgen. Ik denk dat het beste is om de vraag naar seksueel misbruikervaringen na ongeveer tweederde van de intake te stellen. Het gesprek is dan meestal al goed op gang. Mocht er sprake zijn van seksueel misbruik, dan is er nog genoeg tijd over om er langer over door te praten. Als er sprake is van seksueel misbruik moet er duidelijkheid zijn over het feit dat seksueel misbruik iets is dat
niet toegeschreven moet worden aan jongens zelf. De pleger is daar uiteindelijk verantwoordelijk voor. Mijn ervaring met een aantal jeugdhulpverleners van de telefonische interviews was, dat ze niet overtuigd waren van de juistheid van de vraag of er sprake is van nare ervaringen op seksueel gebied aan jongens. Zij redeneerden dat jongens toch 'nee' zullen zeggen en dat de vraag te bedreigend kan overkomen en dat jongens daardoor zullen afhaken. Ik geloof niet dat dit laatste zonder meer zal gebeuren. Zeker niet als onderstaande vier
punten gehanteerd worden.
1. Ik vind dat bij het vragen naar seksueel misbruik bij jongens, een rustige, open houding en een directe, heldere manier van vragen stellen van belang is.
2. Hulpverleners kunnen zeggen dat de jongens niet hoeven te antwoorden op de volgende vraag als ze dat niet willen;
3. Er kan informatie gegeven worden over het bestaan en de omvang van seksueel misbruik en nare of verwarrende seksuele ervaringen bij jongens, waar ze last van kunnen ondervinden;
de vraag zou dan bijvoorbeeld op dat moment gesteld kunnen worden, namelijk of ze ook zoiets dergelijks hebben meegemaakt. Bij het antwoord ‘nee’ of ‘ik wil er niet over praten’, wat misschien vaak het geval is, moet duidelijk gemaakt worden dat dit gerespecteerd wordt en dat de jongens er altijd op terug kunnen komen als ze dat willen. Hier kan ook direct besproken worden of de jongens het
prettiger vinden om er eventueel zelf over te beginnen, of dat de hulpverlener er te zijner tijd nog eens op terug komt.
Naast bovenstaande vind ik het erg belangrijk dat hulpverleners aan jongens zelf overlaten wat ze met hun probleem willen. Als dit niet gebeurt, ontstaat er een soortgelijke situatie als tijdens het misbruik, namelijk dat een ander, in dit geval de hulpverlener, beslist waar over gepraat wordt en wat er gaat gebeuren. Aangezien er tijdens het misbruik ook steeds een ander voor hen bepaalde wat er ging gebeuren, is het juist bij seksueel misbruikte jongens goed om ze dit zelf te laten bepalen.
Bovendien hebben ze hiertoe het volste recht. Van belang is dat jongens serieus genomen worden. Dit houdt onder andere in dat de keuzes van de jongens gerespecteerd worden. Ook als hulpverleners denken dat het anders is.
4. Het kan gebeuren dat ondanks dat jongens beweren niet seksueel misbruikt te zijn, terwijl hulpverleners op basis van bijvoorbeeld signalen toch een vermoeden hebben van misbruik. In dat geval lijkt het mij het beste om dit gegeven bespreekbaar te maken. Door er niet over te beginnen houden hulpverlener en cliënt elkaar alleen voor de gek en daar is niemand bij gediend. Hulpverleners zouden de problemen samen met de jongen op een rijtje kunnen zetten en een balans opmaken van wat er tot nu toe
is veranderd. Verder zou gekeken kunnen worden of de jongen tevreden is over wat er veranderd is. De hulpverlener kan vervolgens zijn/haar twijfels en zorg uitspreken. Benoemen wat je gevoel en gedachten over de zaak zijn. Hier heeft de jongen naar mijn idee het meeste aan. Gezegd zou ook kunnen worden, dat op deze manier de jongen zichzelf voor de gek houdt, maar dat ook de hulpverlening zo niet veel effect heeft. Gevraagd zou kunnen worden hoe de jongens zelf denken verder te willen en/of verwachten van de hulpverlener en hulpverlening.
Verder denk ik dat als er sprake blijkt te zijn van seksueel misbruik, rekening moet worden gehouden met de voorkeur van jongens voor een mannelijke of een vrouwelijke hulpverlener. Het kan voorkomen dat jongens door hun misbruikervaringen angstig zijn voor mannen of vrouwen. De kwaliteit van de hulpverlening wordt mijns inziens bevorderd door hiermee rekening te houden. Het hoeft overigens niet zo te zijn dat seksueel misbruikte jongens, die misbruikt zijn door een seksegenoot ook angst hebben
voor die seksegenoot. Ik denk dat de keus van een seksueel misbruikte jongen gerespecteerd moet worden. Het lijkt me goed dat die ‘sekse-angst’ niet wordt versterkt door de jongens alleen maar te laten omgaan met mensen van het geslacht waar hij geen angst voor heeft; de angst kan ook overwonnen worden, zodat hij (opnieuw) op een normale manier kan omgaan met mensen waar hij eerder bang voor was. Ik heb hier al meer over gezegd in hoofdstuk 2, paragraaf 2.7
· De problemen als gevolg van seksueel misbruik kunnen sterk variëren en daarom vind ik het van belang voor hulpverleners om een goed beeld te krijgen van de individuele problemen en van de sterke kanten van jongens. Op deze manier kunnen hulpverleners een effectief behandelplan opstellen dat aansluit bij de jongens. Dat vereist een goede diagnostiek.
Tijdens de hulpverlening
· Een goede vertrouwensband tussen hulpverleners en de cliënt is van zeer groot belang. Ik vind dit een essentiële voorwaarde voor het slagen van de hulpverlening in het algemeen, maar vooral bij de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens omdat de meesten grote moeite hebben anderen te vertrouwen. Aan een goede vertrouwensband zal dan ook veel aandacht besteed moeten worden.
· Slachtoffers van seksueel misbruik bevinden zich in een slachtofferrol.
Eén van de belangrijkste doelstellingen is vind ik om ze daaruit te halen. Wat daarbij van belang is, is het bevorderen van de zelfredzaamheid. Het patroon van passiviteit en hulpeloosheid moet doorbroken worden, zodat jongens actief aan hun problemen kunnen gaan werken. Wat hierbij een bruikbaar middel kan zijn is een assertiviteitstraining. De jongens moeten leren om zelfstandig te handelen. Ook zullen ze verantwoording moeten nemen voor hun eigen situatie. Ik denk dat de manier waarop hier
vorm aan gegeven wordt door hulpverleners van groot belang is. Als hiermee te direct geconfronteerd wordt, kan dit seksueel misbruikte jongens afschrikken. Ik denk hierbij overigens aan jongens die zich erg afhankelijk opstellen ten opzichte van anderen. Ze zullen moeten meewerken, wil de hulpverlening slagen.
· Belangrijk is ook om te blijven waar de jongens zijn en dus niet sneller te gaan dan ze kunnen. Dit lijkt voor veel hulpverleners misschien een open deur, maar in de praktijk blijkt dit vaak moeilijker te zijn dan het lijkt. Vooral bij seksueel misbruikte jongens en overigens ook meiden, is dit een zeer belangrijk punt.
De situatie kan zich voordoen dat hulpverleners al allerlei plannen hebben bedacht, terwijl de jongens daar nog helemaal niet aan toe zijn. Belangrijk is dan dat de jongens zelf de beslissingen maken en de hulpverlener in sommige gevallen geduld moet hebben.
· Een aandachtspunt voor hulpverleners vind ik ook dat soms te snel als ‘oplossing’ wordt aangedragen dat een kind maar uit huis geplaatst moet worden. Vergeten wordt op zo'n moment dat dit niet is wat een kind wil. Hij of zij wil dat het misbruik stopt, maar zijn ouders wil hij niet kwijt en ook niet dat het gezin uit elkaar valt. In de hulpverlening aan seksueel misbruikte jongens moet hier rekening mee gehouden worden.
Tijdens mijn stage deed zich de situatie voor dat, in dit geval, een meisje thuis werd misbruikt door haar vader en mede om deze reden uit huis wilde. Hier had ze overigens, gezien mijn aandachtspunt hierboven, zelf voor gekozen. Het meisje was meerderjarig. Op het moment dat er na lang zoeken een plek werd gevonden waar ze zou kunnen gaan wonen en ze onder het mom van ‘zelfstandig willen worden’ haar ouders had overtuigd, besloot ze alsnog om het niet door te laten gaan en thuis te blijven
wonen, waar het misbruik doorging. Dit soort situaties kunnen voor hulpverleners bijzonder frustrerend zijn. Ondanks dat is het van belang om seksueel misbruikte jongeren zelf te laten kiezen.
De maatschappij
Ik denk dat er voor jongens en mannen minder ruimte bestaat om over hun negatieve seksuele ervaringen te vertellen dan voor vrouwen. Van vrouwen is bekend en geaccepteerd dat het misbruik hen kan overkomen. Een belemmering voor jongens is volgens mij dat hun ervaringen met seksueel misbruik (nog) niet een maatschappelijk kader hebben. De
maatschappij staat naar mijn idee meer open voor de mogelijkheid van seksueel misbruik van meiden. Documentaires, brochures, posters en films over seksueel misbruik betreffen in bijna alle gevallen seksueel misbruik van meiden, bijvoorbeeld de Postbus 51 campagne tegen ongewenste intimiteiten, die uitsluitend gericht was op vrouwen. In woordenboeken wordt vermeld dat het meiden en/of vrouwen overkomt. Impliciet wordt volgens mij daarmee gezegd dat alleen vrouwen te maken krijgen seksueel misbruik. Datgene wát georganiseerd wordt in de hulpverlening is in bijna alle gevallen voor
seksueel misbruikte meiden (praatgroepen e.d.). Ik doe een aantal instanties terecht te kort als ik vermeld dat er niks voor jongens wordt georganiseerd. Er zijn stichtingen en hulpverleningsinstanties die zich in willen zetten voor deze jongens. Gelukkig maar! Deze instanties zijn onder andere: stichting Schouder aan Schouder, een aantal RIAGG’s, waaronder het eerder genoemde SOEM-projekt, enkele praatgroepen die vanuit de ambulante hulpverlening georganiseerd worden. Over deze instellingen is in paragraaf 6.6 meer te lezen. Toch is het zo dat tot op de dag van vandaag het
hulpaanbod voornamelijk gericht is op seksueel misbruikte meiden. De maatschappij maakt het seksueel misbruikte jongens niet makkelijk. Mede door de socialisatie van jongens, welke grote invloed heeft op de omvang en aard van hun problematiek, hun gedrag en de wijze waarop zij hun problematiek naar voren brengen, lukt het jongens amper om met hun probleem naar buiten te treden. Jongens komen zo in een isolement terecht en de sterke behoefte tot controle die tegelijkertijd meespeelt versterkt het isolement en het gevoel vervreemd te raken van zichzelf. Wat de maatschappij zou
moeten veranderen, is in eerste instantie erkennen dat jongens niet alleen dader zijn, maar ook slachtoffer kunnen worden. Dit vraagt een mentaliteitsverandering van mensen. Ik vind dat er veel meer gepubliceerd moet worden over seksueel misbruik van jongens. Er moet meer bekendheid worden gegeven aan het feit dat deze problematiek ook jongens aangaat. Publiciteit kan het taboe en de daarmee samenhangende stigma's zoals die staan in paragraaf 4.3.2. doorbreken. Publiciteit en taboedoorbreking kan al in het klein plaatsvinden, bijvoorbeeld door in het algemene
voorlichtingsmateriaal over seksueel misbruik binnen instellingen duidelijk te maken dat men bij slachtoffers niet alleen aan meiden/vrouwen moet denken, maar ook aan jongens/mannen. Tijdens het onderzoeken van enkele woordenboeken over wat er geschreven staat wat seksueel misbruik is, viel het mij op dat ook hierin de meer recente aandacht voor seksueel misbruik vooral uitgaat naar vrouwelijke slachtoffers. Onder seksueel geweld stond vermeld: ’met name tegen vrouwen en meisjes, aanranding, verkrachting, mishandeling in verband met seksueel verkeer, ongewenste
intimiteiten’[xiii].
Bestaande hulpverleningsvormen
Ondanks het feit dat er zeer weinig hulpverleningsmogelijkheden voor seksueel misbruikte jongens zijn, wil ik in deze paragraaf noemen wat er wél is voor jongens. Hierbij wil ik gebruik maken van een tweedeling, namelijk aan de ene kant jonge seksueel misbruikte kinderen, in de leeftijd van ongeveer 4 tot en met 12 jaar en aan de andere kant
jongens in de adolescentieperiode en volwassenen, dus mannen. Jongens en mannen bespreek ik tegelijkertijd, omdat er voor jongens in de leeftijd van 12 tot en met 23 jaar weinig tot niets is; voor mannen is door een aantal mannelijke slachtoffers bewezen, dat er meerdere hulpverleningsmogelijkheden waren waar ze gebruik van konden maken. Daarnaast is het een feit dat veel seksueel misbruikte jongens pas later, als ze inmiddels man zijn geworden, hulp gaan zoeken. Het verwerken van seksueel misbruik is een lang proces. Er worden in de literatuur verschillende fasen in de behandeling
genoemd. Dimock noemt de volgende fasen:
Erkennen van slachtofferschap
Dat begint bij de erkenning dát er 'iets’ gebeurd is, en dat dit gevolgen heeft gehad. Voor veel jongens is deze erkenning moeilijk; veel jongens voelen zich verantwoordelijk voor hetgeen gebeurd is en zien vaak het gebeurde niet als seksueel misbruik. Sommigen zien het zelfs als een onderdeel van hun socialisatie.
Leren zien wat het misbruik werkelijk is
Dit helpt om het misbruik in een perspectief te plaatsen, waardoor het niet meer overkomt als een onbegrijpelijke ramp.
Onderscheid leren maken tussen verleden en heden
Dit onderscheid is van wezenlijk belang en moet uitdrukkelijk gemaakt worden. Het punt is namelijk dat de cliënt nu dingen kan veranderen, zich nu niet meer hoeft te laten intimideren door zijn verleden, door degene(n) die hem toen misbruikte(n).
Leren om jezelf te vertrouwen
De manier die de cliënt zich destijds heeft aangeleerd om te overleven, hoeft nu niet altijd meer nodig te zijn. In de laatste fase van de behandeling kunnen nieuwe mogelijkheden uitgeprobeerd worden en oude, storende gedrags- en denkpatronen verlaten worden.
Jonge kinderen
Jonge kinderen waarbij een vermoeden is van seksueel misbruik, kunnen terecht bij de RIAGG. Naar mijn idee bestaat bij de meeste RIAGG’s een afdeling, waar gewerkt wordt met hele jonge kinderen die seksueel misbruikt zijn. Onder andere door middel van speltherapie wordt het seksueel misbruik uitgespeeld. Ook wordt veel informatie gehaald uit
tekeningen van kinderen. Dit wordt gedaan door psychologen die gespecialiseerd zijn in seksueel misbruik.
Gesprekken voeren met jonge kinderen, waar mogelijk sprake is van seksueel misbruik, wordt ook gedaan door rechercheurs. In de documentaire “Kind als getuige”, die 23/4/1997 op Nederland 3 om 21.23 - 21.52 werd uitgezonden, werden jonge kinderen in de leeftijd vanaf vier jaar ‘verhoord’ door rechercheurs van de rechercheschool te
Zutphen, die zich door middel van cursussen hadden gespecialiseerd in seksueel misbruik van jonge kinderen. Naderhand werden de gesprekken met een psycholoog- en getuige deskundige nabesproken. Het doel was om een kind, dat mogelijk het slachtoffer van seksueel misbruik is, een betrouwbare getuigenverklaring te laten afleggen, door middel van een zo objectief mogelijk verhoor. In de documentaire werden met het kind spelregels afgesproken. Dit is nodig, omdat het kind denkt dat de volwassene weet wat er gebeurd is, terwijl dit niet zo is. De spelregels waren bijvoorbeeld de uitleg dat
een kind zelf mag weten wat hij/zij gaat vertellen en waar hij/zij mee gaat spelen. Eerst gingen de gesprekjes over leuke dingen, school, hobby’s en dergelijke en vervolgens over dingen die ‘niet zo hoorden’ en die niet leuk waren. In de documentaire vertelde het kind over de man die haar meenam de bosjes in. Met behulp van voorgetekende jongens- en meisjes poppen op papier, kon het kind kruisjes zetten waar de man haar had aangeraakt. Barrieres bij dit soort verhoren zijn, dat het voor het kind om een pijnlijk onderwerp gaat en dat het kind vaak heel goed snapt waar het over
gaat, namelijk dat er iets gebeurd is wat niet goed is. In 1996 waren er 1000 meldingen binnengekomen van jonge kinderen, waar mogelijk sprake was van seksueel misbruik.
Jongens en mannen
Naar aanleiding van het boek ‘Stukjes bij Beetjes’ van Sietske Dijkstra[xiv], waarin seksueel misbruikte mannen hun verhaal vertellen, wil ik enkele mogelijkheden noemen voor het zoeken en bieden van hulp. De mogelijkheden waar bovengenoemde mannen baat bij hebben gehad wil ik uitgebreider aan bod laten komen.
Het merendeel van de geïnterviewden zocht in de loop van hun leven meerdere malen hulp. Verschillende soorten hulpverleners zijn geconsulteerd, namelijk: verwerkingsgroepen, vrijgevestigde maatschappelijk psychologen, Gestalt-therapie, hypnotherapie, manuele therapie en haptonomie. De aard van hulp die de mannen hebben gevonden, blijkt zeer gevarieerd. Soms is vooral sprake van begeleiding en ondersteuning, in andere gevallen gaat het om een therapie,
waaronder verwerkingsgroepen voor seksueel misbruikte mannen die door de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling(VSK) worden georganiseerd, psychotherapie, behandeling bij een RIAGG, een seksuoloog, haptonomie, bewegingstherapie, lichaamsgerichte behandeling, mannenlijfwerk en opname in een psychiatrisch ziekenhuis.
Bij de intensieve en vaak meerdere jaren durende psycho-therapeutische behandeling ging het om inzichtgevende en ondersteunende therapie. Kenmerkend voor deze wijze van hulpverlenen is dat de behandeling van het seksuele trauma in een breder verband wordt geplaatst; tijdens de behandeling wordt veel aandacht geschonken aan de gezinscontext waarbinnen de mannen zijn opgegroeid en de gevolgen die het seksueel misbruik voor hen heeft. Door ondersteuning te bieden bij problemen uit het heden, een vertrouwensrelaties op te bouwen, gevoelens onder woorden te brengen, is langzamerhand toegewerkt naar de behandeling van het
seksuele trauma. De mannen hebben door de behandeling meer besef gekregen van hun reactiepatronen en de invloed die het seksueel misbruik had op hun ontwikkeling.
Een andere man heeft ongeveer tien jaar regressietherapie gehad. Hierbij wordt denkbeeldend terug gegaan naar de kindertijd. Deze behandeling heeft volgens hem een basis verschaft die verandering mogelijk maakte. Het heeft hem bij de kern van zijn frustratie en herinnering gebracht.
Weer een ander voelde zich het meest geholpen door de hypno-therapeutische hulp die hij bij een hulpverleningsinstelling voor homoseksuelen heeft gekregen.
Een vierde vorm van hulpverlening bestaat uit zelfhulp en gespreksgroepen met lotgenoten. Een aantal mannen noemden lichaamswerk, anderen gespreksgroepen voor mannen. Ook zijn er verwerkingsgroepen voor mannen waar lotgenoten bij elkaar komen om over hun misbruikervaringen te praten. De mannen voelden zich hierdoor erg gesteund. Herkenning, begrip en erkenning zijn volgens hun erg belangrijk. Lotgenoten zouden,
aldus deze mannen, elkaar goed aanvoelen, uit eigen ervaring weten wat schaamte oproept en daardoor in staat zijn om de juiste vragen te stellen.
Er zijn ook ervaringen van verbale hulp naar een non-verbale lichaamsgerichte behandeling.
De lichaamsgerichte behandeling bestrijkt een breed gebied en varieert van haptonomie, bio-energetica, lichamelijke oefeningen, manuele therapie tot ontspanningsoefeningen. Een hoge spierspanning,(psycho)-somatische klachten, een negatief beeld van of weinig gevoel bij hun lichaam is voor veel mannen aanleiding geweest om lichaamsgericht te werken. Soms hebben mannen juist in een lichaamsgerichte behandeling nieuwe mogelijkheden gezien om een deel van hun
verdriet en pijn te verwerken en dichter bij hun gevoelens te komen.
Duidelijk mag zijn dat al deze mogelijkheden tot verwerking vormen van therapie zijn, die een hulpverlener die 'slechts' een maatschappelijk werk opleiding heeft, nooit kan geven. Persoonlijk denk ik dat de grens erg moeilijk te trekken is als het gaat om de hulp aan seksueel misbruikte jongens. Er wordt door veel jeugdhulpverleners gezegd dat
het gaat om de hulpvraag van de jongens. Hoe wordt er gehandeld als jongens niet bezig willen met de verwerking van het seksueel misbruik, maar duidelijk is dat hulpvragen als: ‘ik wil leren om contacten te leggen’, of ‘help me om minder angstig te zijn’ en ga zo maar door, alles met het misbruik te maken hebben? Zelf denk ik dat op zo'n moment inzicht gegeven moet worden door hulpverleners aan de jongens. In mijn jaarstage bij het JAB in Emmen heb ik hier mee te maken gehad. De jongen, die seksueel misbruikt was had ontzettend moeite om contacten te leggen. In eerste
instantie ontkende hij dit laatste. Wel vertelde hij dat hij jarenlang misbruikt was door zijn opa. Met dit probleem wilde hij niks, volgens hem had hij dit al verwerkt. Ondanks dat vertoonde hij stoer, soms risicovol gedrag om in de smaak te vallen bij ‘vrienden’, wat juist averechts werkte. Zijn hulpvraag was om hem te helpen om een kamertrainingscentrum te vinden, waardoor hij kon leren om op zichzelf te gaan wonen. Dit was niet eenvoudig voor hem, omdat zijn verleden hem achtervolgde en hij steeds tegen zichzelf aan liep. Ik zag bij hem vaak de link van zijn gedrag en het
seksueel misbruik, maar omdat hij hier niks mee wilde doen, kon ik niet meer dan een kamertrainingscentrum voor hem te zoeken. Wat ik wel deed, was die link benoemen. Blijkbaar was hij er niet aan toe om er iets mee te doen. Hij gaf aan dat hij het prima vond dat ik hem hiermee confronteerde en zei ook dat hij dat nog nooit zo gezien had. Misschien dat hij er later nog iets mee ging doen. In het geval van deze jongen kon de hulpverlening voortgezet worden, omdat de vraag praktisch was en hij niet meer vroeg dan een goede woonplek voor zichzelf. Ik kan mij situaties voorstellen dat
de hulpverlening stagneert, omdat de hulpvragen voortkomen uit, of de oorzaak zijn van het seksueel misbruik. Soms moet dan eerst dat probleem aangepakt worden. In die situaties lijkt het mij het eerlijkst dat hulpverleners open kaart spelen en dit duidelijk maken aan de jongens. Ze kunnen dan zelf bepalen wat ze ermee willen. Ik wil met bovenstaande aangeven dat het dus kan gebeuren dat er op een gegeven moment geen andere mogelijkheid is dan dat de hulpverlening gestopt moet worden. Naast de ervaringen van seksueel misbruikte mannen uit het boek ‘Bij stukjes en Beetjes’,
heb ik een telefonisch gesprek gehad met Marcel Schans. Hij is werkzaam bij de Stichting Maatschappelijk Werk Noord- en Midden Drenthe en heeft eind 1996 tot begin 1997 samen met een collega een gespreksgroep gedraaid voor mannen die voor hun zestiende levensjaar zijn misbruikt. Naast verwerking en bespreking van de gevolgen van seksueel misbruik in het dagelijks leven, was het doel van de bijeenkomsten om een onderling netwerk te versterken. In de provincie Drenthe was dit de eerste keer dat er een dergelijke gespreksgroep voor mannen
was georganiseerd. Het idee kwam naar voren toen een cliënt van de Drenthse stichting een oproep plaatste in de Beiler Courant, waarin hij lotgenoten opriep om te reageren. De man kreeg veel reacties. Zo kwam de groep tot stand. Omdat er nog weinig bekend is over de problematiek zijn de twee maatschappelijk werkers, die gespecialiseerd zijn in seksueel misbruik, om tafel gaan zitten om thema's rond dit onderwerp te bedenken. De groep heeft 20 keer wekelijks gedraaid. Wat erg belangrijk was bij het draaien van de groep en dat kan naar mijn idee over allerlei praatgroepen voor
seksueel misbruik gezegd worden, is dat er nazorg is, zodat de mannen/jongens niet met opgekropte gevoelens naar huis gaan. Tijdens de gesprekken wordt er veel losgemaakt bij de mannen en veel, vaak diep weggestopte gevoelens, komen boven. Juist dan is het belangrijk dat de mannen kunnen napraten of bellen. Volgens de hulpverlener hadden overigens de meeste mannen iemand in hun privé omgeving waar ze na die tijd mee konden praten. Verder wist de hulpverlener te vertellen dat er in het Westen een aantal groepen voor mannen draaide en in Groningen een groep voor jongens. Ongetwijfeld
zullen naast al deze aanbevelingen en aandachtspunten, die hierboven beschreven staan, persoonlijke vragen overblijven die de praktijk van het werken met jongens met seksueel misbruikervaringen met zich meebrengt:
· Wat doe je als hulpverlener/ster, in een hulpverleningsrelatie, met je eigen emoties en/of schrikken van de emoties van de cliënt?
· Hoe ga je om met de onbegrijpelijke en overweldigende dingen die je hoort en ziet in het contact en waar je misschien de neiging hebt stil te zwijgen?
· Hoe ga je om met de angst dat je het hulpverleningsproces niet meer onder controle hebt en je emoties en taken van de jongens gaat zitten overnemen?
· Hoe leer je goed voor jezelf te zorgen in het hulpverleningscontact?
In al deze situaties vind ik het belangrijk dat er gelegenheden zijn om ervaringen en emoties als onmachtgevoelens, ongeloof en dergelijke gedeeld kunnen worden met collega's. De steun van collega’s acht ik dan ook van groot belang. Ik geloof dat daar een heleboel steun en kracht vandaan gehaald kan en moet worden. Wat zeker niet door
hulpverleners vergeten mag worden, is dat seksueel misbruikte jongens meer zijn dan slachtoffer! In de hulpverlening is het daarom van belang vooral aandacht te besteden aan die krachten in mensen die hen in staat hebben gesteld zich staande te houden, te overleven. Voormalige slachtoffers van seksueel misbruik zijn niet onmondig en kunnen vertrouwen op hun kracht en intuïtie.
Notenlijst hoofdstuk 1

[i] Nancy Chodorow is een Amerikaanse sociologe en heeft onderzoek gedaan naar de maatschappelijke
verschillen tussen mannen en vrouwen.
[ii] Joop van Beelen, a.w., p. 8
[iii] Ron van Outsem, a.w., p. 31
[iv] Ron van Outsem, a.w., p. 44
[v] Jos van den Broek, a.w., p. 25
Notenlijst hoofdstuk 4
[vi] Jos van den Broek, a.w., p. 33
[vii] Ron van Outsem, a.w., p. 51
[viii] Jos van den Broek, a.w., p. 34
[ix] Joop Beelen, a.w., p. 9
[x] Jos van den Broek, a.w., p. 38
[xi] Jos van den Broek, a.w., p. 96 - 97
Notenlijst hoofdstuk 5
[xii] Transact is het landelijk centrum voor sekse-specifieke zorgvernieuwing en bestrijding van seksueel geweld. Transact biedt scholing, advies en informatie ten aanzien van mannen- en vrouwenhulpverlening en hulpverlening en preventie gericht op seksueel geweld. Het
stimuleren en verbeteren van de hulpverlening aan jongens en mannen met seksueel misbruikervaringen is een van hun projecten. Transact wordt gesubsidieerd door de overheid. Hulpverleners kunnen gebruik maken van de congressen en studiemiddagen die Transact organiseert.
Notenlijst hoofdstuk 6
[xiii] van Dale, Groot Woordenboek den Nederlandse Taal, pag. 983
[xiv] Sietske Dijkstra, Utrecht, 1991, p. 138 en p. 141