Haptotaal        voor haptotherapie, training & advies

Geen zin


 

Begin pagina
Bovenliggende pag
Site overzicht
Zoeken
Reactieformulier
Contact
Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 158-160 
‘GEEN ZIN IN SEKS’1 
Reinhilde Melles2 

Citaat:

Els Plooij bracht weer leven in de zaal alleen al door haar mededeling de aanwezigen hapto-therapeutische
oefeningen te laten doen. Plooij kwam met een overtuigende introductie over de zin van haptonomie/haptotherapie 
bij geen zin - problematiek, waarbij het uitgangspunt is dat meer (levens)lust wordt ervaren door meer te voelen. 
Haptotherapie leidt iemand naar zijn/haar gevoelens, waardoor een vrouw bijvoorbeeld kan ervaren dat er iets met 
haar gebeurt in plaats van dat zij deelneemt aan het contact. Door contact te maken met haar gevoel, wordt de 
aanraking minder eng, omdat ze haar gevoel kan onderzoeken als zijnde gevoelens van lust (openheid, ‘er naar toe’ 
willen) of onlust (verstarren, ‘weggaan’). Vervolgens werden we uitgenodigd deze lust/onlustgevoelens te ervaren in 
een oefening met onze buurman/vrouw door beurtelings een hand op de knie van de ander te leggen/ 
krijgen. Gezien het gekakel na afloop van de oefening, deed deze oefening blijkbaar veel stof opwaaien. Plooij’s 
betoog was een pleidooi voor een plek voor haptonomie/haptotherapie bij de behandeling van geen zin. Dat deze 
benadering door veel seksuologen gedeeld wordt, bleek uit het feit dat de meerderheid van de aanwezigen al 
naar een haptonoom bleek te verwijzen. Iedereen vond dat deze benadering moet worden overgelaten aan specialisten. 
Wel is het voor seksuologen wellicht verrijkend om enkele basisprincipes van de haptonomie in 
hun praktijk te kunnen toepassen. Hiertoe zou een blok haptonomie in hun opleiding verweven kunnen worden. 
De bereidheid bleek aan beide kanten. Er werden nog net geen zaken gedaan. Jammer dat de zin van 
haptonomie bij geen zin-problematiek niet werd onderbouwd door onderzoek. 

 

 

Volledige artikel:

 

Tijdschrift voor Seksuologie, 2002, 26: 158-160 
‘GEEN ZIN IN SEKS’1 
Reinhilde Melles2 
De Nederlandse Vereniging voor Seksuologie organiseerde op 28 september 2001 een dag over 
het onderwerp ‘Geen zin in seks’. Ongeveer 90 
hulpverleners en seksuologen kwamen die dag 
bijeen in de aangename ambiance ‘het Planetarium’, Gaasperplas in Amsterdam-ZO. 
De organisatie liep gesmeerd, de sfeer was levendig en het gevarieerde programma bleek interessant en 
verdiepend. 
Rik van Lunsen kwam als eerste aan het woord met een lezing over: ‘Zin komt niet uit de lucht 
vallen en libido bestaat niet - biologische, psychologische en contextuele determinanten van seksuele 
motivatie en opwindbaarheid’. Op basis van resultaten van zijn onderzoek in samenwerking met Laan, 
Both, Spiering en Janssen concludeert hij dat de diagnostische classificatie volgens de DSM-IV en |
de daarvoor gehanteerde criteria bij de ‘Seksuele stoornis met verminderd verlangen’ in de praktijk 
niet te hanteren zijn. Strikt genomen voldoet nog geen 1% van de patiënten met deze klacht aan deze 
criteria. Bovendien zijn de in de DSM-IV gestelde criteria vaag en verwarrend. Van Lunsen, Laan e.a. 
adviseren de vage en voor meerdere uitleg vatbare term ‘libido’ te vervangen door de term ‘arousability’, 
opwindbaarheid, die wordt gedefinieerd als het vermogen om op seksuele stimuli te reageren. Deze logische
 en beter in onderzoekstermen te vertalen definitie ondermijnt de opvatting dat zin voorafgaat aan de 
opwinding (zie de seksuele responscyclus).Van Lunsen definieerde het seksueel verlangen als het resultaat 
van de cognitieve verwerking van de bewustwording van de in gang gezette seksuele respons. Deze cognitieve 
elaboratie kan zowel remmend als stimulerend zijn, afhankelijk van hoe het individu de in gang gezette 
respons waardeert. Van Lunsen benadrukte tevens het belang van het onderkennen van testosteron-tekorten 
bij vrouwen met geen-zin-problematiek. Ook onder depressieve vrouwen blijkt ongeveer 25% een testosterontekort 
te hebben, wat vaak niet wordt onderkend. Van Lunsen’s betoog was een heldere uiteenrafeling van 
biologische en psychische factoren bij deze klacht. 
De historica Lucie van Mens benaderde het thema vanuit een historische invalshoek: ‘Geen zin in seks. 
En hoe zat het met onze voorouders?’. Zij baseerde haar verhaal op moraal- theologische bronnen van 
met name de 19e en begin 20e eeuw.Van Mens hield haar betoog over een onderwerp dat, historisch gezien, 
geen issue was, waardoor het onderwerp niet terug te vinden is in historische bronnen. Hierdoor was zij
 aangewezen op uitingen van seksueel gedrag in porno en kunst en bronnen die voorschrijvend (normerend) 
van aard zijn zoals handleidingen over seks, strafregisters en medische verhandelingen. Gezien de 
restrictieve moraal, angst voor miskramen en in sommige sociale klassen zware omstandigheden, kan 
verondersteld worden dat ‘geen zin’ vermoedelijk op gezette tijden veel voorkomend was. Aangezien de 
moraal zich vooral richtte op de beteugeling van seks, was geen zin eerder een bevrijding dan een probleem. 
De terugblik gaf een interessante kijk op de tweede helft van de 20ste eeuw. Het feit dat statistieken in 
deze tijd beschikbaar en algemeen bekend zijn, brengt met zich mee dat veel individuen zichzelf vergelijken 
met deze gemiddelde waarden en deze tevens nastreven. Hierdoor wordt ‘minder zin’ sneller als afwijkend 
beschouwd. Bovendien is seks nu anders genormeerd: als zijnde plezier, goed voor je relatie en bijdragend 
aan zelfontplooiing. Geen zin creëert een faalgevoel ten opzichte van jezelf, je partner en de maatschappij. 
Dit wordt versterkt door de laagdrempelige toegang tot informatie over seks en het voortdurende bombardement 
via de media, waardoor mensen met geen zin in seks het gevoel hebben er buiten te staan. 
Stephanie Both, Amsterdamse onderzoeker-collega 
van Van Lunsen, kwam hierna aan het woord over: 
‘Vrouwen en zin’. Net als Van Lunsen benadrukte zij dat zin alleen kan ontstaan als het (lichamelijke) 
systeem is geactiveerd. Zij veronderstellen dat het mechanisme bij mannen en vrouwen hetzelfde is. In hun 
onderzoek komen inderdaad geen verschillen naar voren in de opwindbaarheid (arousability) bij mannen 
en vrouwen. Aan de hand van dagboekjes hebben zij vervolgens onderzocht of mannen en vrouwen verschillen 
in het ervaren van seksuele prikkels. Hieruit bleek dat mannen meer prikkels ervaren. Zowel mannen als 
vrouwen ervaren de meeste seksuele prikkels die betrekking hebben op hun partner, vrouwen meer dan mannen 
(61,2%& vs. 45%%). Mannen ervaren echter tevens meer seksuele prikkels door niet-partners (38%% vs. 25,8% &).
Volgens Both worden bij vrouwen de seksuele gevoelens meer bepaald door de situatie, de betekenisgeving 
van de prikkel. Een gevaar van de DSM-IV is dat de normen van mannen worden gehanteerd, waardoor vrouwen 
onterecht worden gepathologiseerd. Qua remedies ten aanzien van de geen zin-klacht kan worden gedacht 
aan het vergroten van de gevoeligheid van het systeem door bijvoorbeeld farmaco-therapie, zoals testosteron. 
Bovendien is het voor vrouwen belangrijk die stimuli in de omgeving te zoeken die passen bij hun 
gevoeligheid, zodat een goede match kan optreden. De prikkels moeten wel voldoende seksueel van aard zijn. 
In een langdurige seksuele relatie kan habituatie optreden van de seksuele prikkels gekoppeld aan de vaste 
partner. Helaas kwam Both niet terug op het gegeven dat mannen kennelijk beter in staat zijn dan vrouwen 
seksuele prikkels buiten de vaste partner om te ervaren. Hanteren vrouwen een te strenge - en voor hun 
zin in seks een te remmende - fatsoensnorm? Zijn vrouwen beter in staat om seksuele prikkels direct van 
hun partner te krijgen? Wat voor prikkels? In de discussie was geen ruimte om op dit punt terug te komen. 
Wel werd gevraagd of het verantwoord is om generaliserende conclusies te trekken over vrouwen op basis van 
onderzoek bij adolescenten/ jong volwassenen (studenten). Verschillen tussen de generaties zijn zeker 
denkbaar op dit vlak. Al met al een heldere presentatie van een mooi onderzoek met enkele gerichte 
(eerder genoemde) aangrijpingspunten voor de behandeling van deze ingewikkelde klacht. 
Woet Gianotten mocht vervolgens het woord nemen over: ‘Mannen willen maar één ding! Hoe zit dat 
met mannen zonder zin?’ In zijn welbekende rustige en persoonlijke voordrachtstijl hield Gianotten een 
verhaal gebaseerd op zijn klinische ervaring. Het eerste gedeelte was een tamelijk oppervlakkige opsomming 
van verschillen tussen een primair, secundair, situatief en algemeen tekort in zin en de mogelijke 
lichamelijke, psychische en relationele oorzaken en in stand houdende factoren. Interessant was de 
veronderstelling dat mannen met een primair, situatief tekort soms te sterk solistisch geprogrammeerd 
zijn. Hierbij kan met gedragstherapeutische technieken worden getracht om partnergebonden opwindende 
cues op te bouwen. Een andere suggestie was dat de therapeut bij de partner kan achterhalen wat haar 
motieven zijn om te willen vrijen: gaat het haar om het vrijen zelf, of om de bevestiging. Dit laatste 
kan de partner haar wellicht wel geven. Het verhaal van Gianotten had veel aan diepgang kunnen winnen 
als hij de casuïstiek meer had verdiept ter ondersteuning en illustratie van zijn presentatie. Een 
uitnodigende vraag uit de zaal, namelijk ‘Hoe doe jij dat dan?’, werd helaas beantwoord met ‘Dat hangt 
van de situatie af’. 
Na een heerlijke lunch buiten onder een stralende 
zon, mocht Jannetta Bos proberen de aandacht van de zaal weer naar ‘binnen te richten’. Dit lukte haar 
wonderwel en vooral door haar didactische kwaliteiten om (een fractie van) haar deskundigheid met be-
trekking tot de cognitieve therapie over te dragen aan de toehoorders. Anders dan de vorige spreker citeerde 
zij bijvoorbeeld dialogen tussen de therapeut en de cliënt, die zeer verduidelijkend werkten. De inhoud werd 
geconcretiseerd en boeiend hetgeen haar in mijn ogen niet al te levendige presentatie compenseerde. Zo was 
een interessante tip bij het werken met deze problematiek met betrekking tot het uitdagen van een gedachte, 
het leggen van een link naar een vergelijkbare situatie bij de mannelijke partner - met - meer - zin.‘Kunt u
zich herinneren dat u iets heeft veranderd wat u veel moeite heeft gekost om te veranderen?’ De mannelijke 
partner formuleerde na een gesprek hierover de helpende gedachte:‘Veranderen kost tijd’. Deze gedachte geeft 
meer ruimte voor begrip voor de partner. Hetzelfde uitstapje werd bij de vrouwelijke partner gemaakt met de 
vraag:‘Is het u wel eens gebeurd dat u ergens de hele dag aan dacht?’ De vrouwelijke partner herkende dit in 
de zorgen over de opvang van haar moeder. Deze vergelijking bracht haar tot de gedachte: ‘Als hij veel met 
seks bezig is, betekent het dat hij zich verantwoordelijk voelt.’ Een leuke tip was ook het maken van een 
wensdoosje. Hierin stoppen de partners een stel kaarten met op iedere kaart één wens.Vervolgens pakken 
zij iedere dag één wenskaartje. Als zij geen zin hebben in deze wens, kunnen zij deze terug stoppen en een 
andere trekken. Bos had een heldere voordracht, blijkbaar zo klip en klaar dat geen enkele reactie uit de zaal 
kwam, wat op deze dag uitzonderlijk was. Of was iedereen toch ingedut? 
Els Plooij bracht weer leven in de zaal alleen al door haar mededeling de aanwezigen hapto-therapeutische oefeningen te laten doen. Plooij kwam met een 
overtuigende introductie over de zin van haptonomie/haptotherapie bij geen zin - problematiek, waarbij het 
uitgangspunt is dat meer (levens)lust wordt ervaren door meer te voelen. Haptotherapie leidt iemand naar 
zijn/haar gevoelens, waardoor een vrouw bijvoorbeeld kan ervaren dat er iets met haar gebeurt in plaats van 
dat zij deelneemt aan het contact. Door contact te maken met haar gevoel, wordt de aanraking minder 
eng, omdat ze haar gevoel kan onderzoeken als zijnde gevoelens van lust (openheid, ‘er naar toe’ willen) of 
onlust (verstarren, ‘weggaan’). Vervolgens werden we uitgenodigd deze lust/onlustgevoelens te ervaren in 
een oefening met onze buurman/vrouw door beurtelings een hand op de knie van de ander te leggen/ 
krijgen. Gezien het gekakel na afloop van de oefening, deed deze oefening blijkbaar veel stof opwaaien. Plooij’s 
betoog was een pleidooi voor een plek voor haptonomie/haptotherapie bij de behandeling van geen zin. Dat deze 
benadering door veel seksuologen gedeeld wordt, bleek uit het feit dat de meerderheid van de aanwezigen al 
naar een haptonoom bleek te verwijzen. Iedereen vond dat deze benadering moet worden overgelaten aan specialisten. 
Wel is het voor seksuologen wellicht verrijkend om enkele basisprincipes van de haptonomie in 
hun praktijk te kunnen toepassen. Hiertoe zou een blok haptonomie in hun opleiding verweven kunnen worden. 
De bereidheid bleek aan beide kanten. Er werden nog net geen zaken gedaan. Jammer dat de zin van 
haptonomie bij geen zin-problematiek niet werd onderbouwd door onderzoek. 
Marianne Emmelkamp sloot de rij sprekers met een 
lezing over: ‘We zetten relationele/ systemische brillen op en kijken hiermee naar HSDD 3’. In vogelvlucht 
behandelde ze diverse stromingen uit de systeemtherapie. Aan de hand van een casus nodigde ze iedereen uit 
om achtereenvolgens deze casus te benaderen vanuit de cybernetische, cognitieve, tekstuele en discours-
systeemtherapie. De toehoorders werden zo uitgedaagd het echtpaar op verschillende en wellicht anders-
dan-gebruikelijke wijzen te benaderen en interventies te bedenken vanuit diverse stromingen. Doordat 
Emmelkamp vervolgens ook de theorie van Schnarch en het model van Lobitz en Lobitz wilde behandelen, 
wandelden we met zevenmijlslaarzen door de verschillende modellen. Het was wellicht interessant geweest 
om langer de tijd te nemen voor de bedachte interventies zodat de stromingen meer uitgediept hadden 
kunnen worden. 
De dag werd afgesloten met een prikkelend debat 
aan de hand van door de organisatie en sprekers bedachte stellingen, waarin op de behandelde the-
ma’s van de dag werd teruggekomen. Zo riep de stelling ‘Zin in seks komt niet uit de lucht vallen en libido 
bestaat niet’, een heftig tegengeluid van de meer romantisch ingestelde seksuologen op. Het was een 
levendig, breed debat met goede leiding, diverse geluiden uit de zaal en af en toe een flinke dosis hilariteit. 
Al met al een dag om met plezier op terug te kijken. 
Praktijkadres: Anklaarseweg 95 a, Apeldoorn. Tel 06 14242802

Aangesloten als therapeut bij de Nederlandse Federatie Gezondheid, nr. 5905. http://www.de-nfg.nl